Klassenjustitie

Door Gerrit, 8 maart 2010 22:00

Het zal begin zeventiger jaren geweest zijn. Mijn toenmalige vriendin en ik hadden bij haar ouders één of andere voetbalwedstrijd op TV gekeken. Daarna zou ik weer naar huis gaan. Via de achterdeur liet m’n vriendin mij uit, maar omdat we zo in gesprek waren liepen we beiden verder. Je kwam dan uit op een binnenterrein waaraan garages met platte daken lagen. Daarachter lagen tuinen van een ander blok huizen. We besloten op één van die garages te klimmen, en aldus zittend op het platte dak verder te praten. Zo gezegd, zo gedaan. Na enige tijd kwamen twee politie-auto’s met zwaailichten de binnenplaats oprijden. Ze stopten bij ons. ‘Wat doen jullie daar?’ ‘O, we zitten gewoon wat te praten.’ ‘We zijn gebeld dat er mensen bezig zijn om in te breken. We zullen jullie mee naar het bureau moeten nemen.’

Nou, oké, dachten we. Die ervaring pakken ze ons niet meer af. Daar werden we afgevoerd in één van de politie-auto’s. Op het bureau duurde het nog een uur voordat iemand met een formulier de stand van zaken kwam opnemen. ‘Naam?’ ‘Gerrit D, meneer.’ ‘En van u, jongedame?’ ‘M van de M, meneer.’ ‘Misschien familie van de Officier van Justitie?’ ‘Jawel, zijn dochter…’

O, nou, het spijt ons, bla bla bla. We zullen jullie zo snel mogelijk weer terug naar huis brengen. Enzovoorts, enzovoorts.
Hier brak onze klomp. Stel je voor dat we een nietszeggende naam hadden. Dan hadden we moeten praten als Brugman om ervoor te zorgen dat wij geloofd werden. Want ja, wie gaat er nou voor de lol tegen middernacht op een plat dak van een garage een beetje ouwehoeren…?

Nee, sinds die tijd snap ik heel goed de frustratie van mensen, wanneer ze opgepakt worden voor iets dat ze niet gedaan hebben, maar niet geloofd worden. Hadden ze maar familie moeten zijn van een in die wereld bekend persoon…..

Kuren in Katwijk

Door Els, 5 maart 2010 0:17

Ik was drie jaar toen ik naar Katwijk ging om daar in de frisse zeelucht te genezen van TBC. Veel is dus zeer wazig. Maar dit herinner ik me nog wel.
Elsje Fiederelsje
Mama bracht me we, in een taxi. De rit leek eindeloos te duren en dat zei ik ook. Mijn moeder zei me dat het voor mijn eigen bestwil was. Thuis, waar ik al drie maanden “gekuurd” had, zou ik niet beter worden. De zeelucht en veel buiten zijn, daarvan zou ik opknappen. Van het afscheid weet ik alleen nog dat mijn moeder huilde. Maar nadat ze weg was, voelde ik me al snel thuis in het zeehospitium. en dacht ik er niet eens meer over na dat ik zo ver weg was. Ach kinderen zijn flexibeler dan volwassenen denken.

En er mochten daar dingen die thuis absoluut verboden waren. Zoals een teil zand in je bed, om lekker mee te spelen. Je mocht knippen, kleuren, knutselen.
En er was altijd wel iemand om mee te keten, want we lagen met zes (of acht??) andere kinderen op zaal. We vonden altijd wel iets geks te doen. Goed, je moest je eerst los wurmen, want je zat in bed vastgebonden. Maar had je dat voor elkaar gebracht, dan kon je de grote spinnen pakken en ze de poten uittrekken. Een voor één, die dan op je laken bleven bewegen. Nu onbegrijpelijk, maar we vonden het toen het toppunt van lol.

En natuurlijk probeerde we de verpleegsters uit. Sommige waren niet kwaad te krijgen, maar anderen… En dan verzin je heel gekke dingen.

Naast mij lag Theo. We waren dikke maatjes, al konden we elkaar niet aanraken, zo ver stonden de bedden uit elkaar. Maar samen kattenkwaad beramen, ja dat konden we natuurlijk wel.

Op een avond, het eten stond net klaar op ons nachtkastje, fluisterde hij: “Elsje, Elsje…” “Ja, wat is er?” fluisterde ik terug. “Ik heb helemaal geen honger.” “Nee, ik ook niet!” Dat was niet zo raar, want eten was een terugkerend probleem. Geen trek, niets lusten, onsmakelijke maaltijden. En stuk voor stuk waren we lastige etertjes. In mijn herinnering waren alle kinderen daar dan ook broodmager en naar de trend van die tijd moest je juist een beetje mollig zijn. Dat was pas gezond. Dus graag een beetje doorhappen….en altijd bordje leegeten.

Goed, Theootje had dus geen trek. Hij trok een vies gezicht. “Ik geloof dat ik er een beetje misselijk van wordt. Dan moet ik zo meteen spugen” fluisterde hij samenzweerderig. Ik zag het voor me en meteen sloeg ook een golf onpasselijkheid door mij heen. “Oh, ik ben ook een beetje misselijk.”

Om een lang verhaal kort te maken, we hebben elkaar die avond zo op zitten stoken, dat we allebei de hele boel onder spuugden. Wat het effect op de andere kinderen op de zaal was, weet ik niet meer. Maar wie er voor moest opdraaien: ja, de verpleegster natuurlijk. En die vond dat niet leuk.

Ze begreep wel dat het allemaal opzet was en wilde ons streng straffen. Nou hing er aan ons bed een kaart, met daarop je medische toestand. Als je er slecht aan toe was stond op die kaart een grote D. A was het beste en dan verkeerde je al in het stadium dat er over naar huis gaan werd gepraat. Die avond werd de A van Theo en mij veranderd in een dikke D. Zo zou ze ons wel eens even een lesje leren. Maar ja, wat heeft dat voor effect op een kind van drie, die nog geen A van een D kon onderscheiden?

Dat konden mijn ouders natuurlijk wel. En die schrokken zich een ongeluk toen ze op bezoek kwamen. Na een pittig gesprek met de hoofdzuster werd alles weer recht getrokken en prijkte er weer een A op mijn kaart. Maar telkens als mijn moeder er aan terugdacht, voelde ze weer de schrik in haar benen.

(eerder geplaatst 23 februari 2010 op knutzels.nl)

Für Elise

Door Bertie, 2 maart 2010 13:14

Toen ik in de eerste klas van een middelbare school zat bracht een jongen uit een van de hoogste klassen dit pianostukje, op een schoolfeest.
Dat was dapper, popmuziek vierde ook toen al hoogtij.
Ik was meteen verliefd; op de jongen uiteraard maar dat besefte ik niet. Ademloos volgde ik zijn handen, gezicht, zijn concentratie. Hij speelde het voor míj, wist ik, ik was Bertie maar ook Elise. Dromend volgde ik het stuk.
Andere -grotere- meisjes droomden hetzelfde, zo bleek uit het donderend applaus. Ik begreep dat hij een brugklassertje niet zag staan; maar had er vrede mee. Voor een twaalfjarige was wegdromen het belangrijkste.

Dit filmpje is tevens leuk voor de liefhebbers van technische muziekzaken:
Je ziet niet alleen de spelende handen maar ook de toetsen, notenbalk en de toonband.

(eerder geplaatst 25 oktober 2009 op shortstories.web-log)

Klaverjassen

Door Rob, 28 februari 2010 15:02

Met studeren had het in het geheel niets van doen. Maar het was toch een ijzeren voorwaarde om de avonden op een koude kamer alleen achter de boeken te kunnen doorbrengen. Voor ons althans wel. En daarom troffen we elkaar drie, vier keer per week een paar uur in de vooravond na het eten bij Hoppe op het Spui in Amsterdam. Want we wilden toch een huiskamergevoel met elkaar delen, Cor, Simon, Guus en ik, jongens uit de provincie die zo maar in de grote stad waren verzeild geraakt en enig houvast zochten en nodig hadden. Dus werd dat bruine café de plaats om naast ons obligate debat over de actualiteit van de dag met elkaar een kaartje te leggen, om te klaverjassen. Zo behoorden we al snel tot de vaste klantenkring, wat zijn subtiele bekroning kreeg in een reeks van stappen, te beginnen bij het moment waarop elke ober onze voornamen kende en wist wat ons gebracht moest worden, tot aan de speciale bereiding van de koffie toe. Waarmee we dus al half en half glorieerden en ons een eind op weg waanden naar de verkrijging van de speciale status die je toch bij een café als Hoppe destijds moest verdienen en waarop de eigenaar, Harry Mustert himself, nauwgezet toe bleef zien.

Dus kon het uiteindelijk, o dag van triomf, gebeuren dat wij onze vaste tafel kregen. Niemand die het in zijn hoofd durfde of moest halen om eraan te gaan zitten als wij er werden verwacht. Wij hadden onze plek verworven, veroverd, om die een paar jaar niet meer af te hoeven staan. Het aantal spellen dat er door ons is gespeeld, moet in de duizenden hebben gelopen en onze reputatie had zich gevestigd, was mijn stellige gedachte. Maar alles vervliegt en verandert, zelfs het oudste bruin van café Hoppe, dus ook de herinnering aan het verleden, merkte ik toen ik daar weer eens belandde na er bijna veertig jaar niet meer te zijn geweest. Eén ding bleek de tand des tijds te hebben doorstaan. Ons kaarttafeltje stond nog steeds op dezelfde plaats en oogde precies zoals op die novemberavond in 1969, toen we er voor het laatst van waren opgestaan. Zelfs het hoekje rechtsboven in de glasplaat erop kende nog altijd die kras die ook in mijn geheugen bleek te zijn gegrift. Ik zette mij eraan en dacht aan al die kaarten die ik er heb geschud. Niemand die ik ken, die er even handig mee is. Waarmee al die koppen koffie en vaasjes Amstel toch nog wat hebben opgeleverd, mag ik nu dus wel licht melancholisch zeggen.

(eerder geplaatst 28 maart 2008 op robhamilton.web-log)

Bruni

Door Nanos, 26 februari 2010 10:44

Bruni was een jaar of tien, toen ze bij ons kwam.
Ze zou een tijdje blijven. Zes weken, twee maanden? Ze kwam uit Oostenrijk en ze hadden het thuis niet breed, begreep ik. Haar oudere zusje Traudi kwam ook naar Nederland, naar een ander gezin. Ze kwam al voor de tweede keer.

Ik kom de zusjes tegen op een foto. We staan er met zijn allen op, de vijf kinderen van mijn ouders, en Bruni en haar zusje. Mijn broertjes ‘doen leuk voor de foto’.
Mijn zusje kijkt zoals ze nu nog kan kijken.
Bruni had blonde krullen. Mijn moeder had iets met krullen. Ze durfde het haar van Bruni bijna niet te wassen, gewend als ze was aan onze steile haren. Ze was als de dood dat de krullen eruit zouden gaan.
Bruni had heimwee. Overdag leek er geen probleem te zijn, maar ’s nachts… Hartverscheurend was het. Mijn zusje, ongeveer even oud als zij, kon er niet mee uit de voeten. De taal was een extra barrière. Ik was veertien en probeerde Bruni’s dagen zo aangenaam mogelijk te maken. Moeilijk, als een kind zich niet lekker voelt.
Bruni maakte de tijd bij ons niet vol.
Uiteindelijk vertrok Bruni, naar het gezin waar ook haar zusje was.
Hoorden we daarna nog iets van Bruni?
Ik kan het me niet herinneren, misschien wel, misschien niet.

De mooiste dag uit je leven

Door Hans, 24 februari 2010 10:44

Men zegt dat de trouwdag de mooiste dag van je leven is. Als ik de bladen en de folders mag geloven zullen de meeste stellen tegenwoordig kosten nog moeite sparen om in ieder geval te bereiken dat het zo niet de duurste dan toch de drukste dag van hun leven wordt. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw wel anders. Tot die tijd voltrok de trouwdag zich volgens strikt vastgestelde rituelen. De organisatie van de feestelijkheden lag in handen van de ouders van de bruid. Zij regelden de kaarten en bepaalden de tekst voor zover er iets te bepalen was (De wederzijdse ouders van —– en —– geven kennis van het voorgenomen huwelijk enz.). Zij regelden de trouwauto’s, de receptie en het diner, eventueel met bal na. Het stel mocht nog wel aangeven welke vrienden en vriendinnen er eventueel werden uitgenodigd. Misschien had de bruid ook nog iets te zeggen over de jurk die ze zou dragen en de bruidegom werd geacht zelf een smoking of rok te huren, na geheim overleg met de moeder van de bruid. Dat overleg diende ook om hints te geven aan de bruidegom omtrent het door hem aan te leveren bruidsboeket. Wel diende het aanstaande bruidspaar zelf aangifte te doen bij het bureau van de burgerlijke stand. En werden zij bij de dominee of pastoor ontboden om afspraken te maken over de ‘kerkelijke inzegening’ van dit huwelijk, anders kon er van een huwelijksnacht geen sprake zijn. Toen wij trouwden in 1968 dachten wij daar heel anders over. Het leek ons leuk om zelf kaartjes te schrijven eventueel versierd met een eigen houtsnede. Wij wilden feestelijk uitgedost in vrolijke kleuren per gehuurde 2CV naar het stadhuis rijden om, na de noodzakelijke plichtplegingen, met alle familie en vrienden neer te strijken in een beruchte Bredase kroeg, waar het nog lang onrustig en heel gezellig zou worden. Toen wij trouwden in 1968 dachten wij daar dus heel anders over, maar de wederzijdse ouders allerminst. Ter wille van de lieve vrede hebben we ons destijds maar geschikt. En het moet gezegd dat de beide families zich danig hebben uitgesloofd om het tot een onvergetelijke dag te maken. Langzamerhand begonnen we door te krijgen dat alles anders werd dan wij wilden/hoopten. De witte kaarten met stijlvol drukwerk werden verstuurd namens de wederzijdse ouders. Een van mijn zusjes stond er op dat zij de trouwjurk zou maken. Een oom, handelaar in stoffen en kant, zorgde voor het mooiste witte brokaat en de fijnste Brugse kant. Het werd dus een droomjurk, waardoor mijn aanstaande er uitzag als prinses uit een Disneyfilm en ik genoodzaakt werd om bij Tip de Bruin een rokkostuum met hoge hoed te huren. Voor we naar het stadhuis vertrokken kwam de pastoor om nog even de laatste puntjes voor de huwelijksmis door te nemen bij het huis van mijn schoonouders. ‘Waar is de bruid’, vroeg hij monter. Mijn zwager zei: ‘Boven in de slaapkamer – ze wordt nog even genaaid’, want er was iets in ongerede geraakt met de sleep van de bruidsjurk. Vanaf dat moment kan ik mij niet veel meer van de dag herinneren. Maar de foto’s bewijzen dat we door een van mijn zwagers met zijn limousine naar het stadhuis zijn gereden en na het plaatsen van de handtekeningen naar de kerk. De bruid dreigde daar flauw te vallen. Iets wat zij gewoon was in de tijd dat zij nog regelmatig de kerk bezocht. Ik werd ruw weggetrokken toen ik haar naar het Maria-altaar wilde begeleiden, dat was kennelijk iets alleen voor vrouwen. Ze geloven daar echt dat je zwanger kan worden zonder tussenkomst van een man! Daarna werden we meegenomen naar een befaamd restaurant alwaar een enorme bruidstaart moest worden aangesneden en een eindeloze stoet mij volkomen onbekenden, gelardeerd met enkele verloren gewaande vrienden ons kwamen feliciteren al of niet vergezeld met cadeaus, tot we niet meer op onze benen konden staan. Gelukkig verdwenen al die gasten weer en gingen we met de wederzijdse familie aan tafel voor een copieus diner, waarvan ik mij alleen de gestoomde forel, die met een blaadje sla in zijn bek mij gemeen lag aan te staren, kan herinneren. O ja, er werd gespeecht en gezongen en grapjes gemaakt. Er werd gedanst en gelachen, maar wat was ik blij toen ik me met Thérèse in het Fiatje van mijn schoonmoeder, waaraan de noodzakelijke blikjes waren gebonden door de mist uit de voeten kon maken naar het hotelletje dat wij voor die nacht hadden besproken. Bekaf ploften we op het krakende hotelbed en keken elkaar aan: Is dit echt gebeurd?
We zijn nu bijna 42 jaar getrouwd en hebben heel wat dagen samen beleefd waarvan we zeiden: “Dit is de mooiste dag van ons leven”, maar die trouwdag ……… onvergetelijk …….. dat wel.

Het communieboekje

Door Karin, 22 februari 2010 10:57

Ik ging pas in het tweede leerjaar naar de Katholieke basisschool en kwam terecht in het klasje van de non: zuster Alfonsa Frederika Hendrieka.
Klein van stuk.

Zij ving mij op, leerde me héél netjes schrijven tussen de lijntjes en ook borduren. De rijgsteek, de koninginnensteek. De zuster doopte altijd een Maria koekje in de thee. Ze had een tic, weet ik nog. Zuster Alfonsa. Een snel bewegend tongetje. (Rita Verdonk heeft ook een snel bewegend tongetje maar de zuster bewoog dat tongetje nog véél sneller. Dit even terzijde)

Op het zijtafeltje stond een grote puntenslijper met een hendel.
De zuster had het druk met potloden slijpen en ik werd rustig van dat snerpende geluid tijdens het maken van opstellen.
Ik vond haar best lief.

Eén voorval ben ik echter niet vergeten:

Wij waren in het bezit van een communieboekje.
Elke vrijdag werden wij geacht dat boekje mee naar school nemen.
Er waren altijd wel enkele kinderen die het boekje niet bij zich hadden. Op een dag werd de zuster zó kwaad dat ze dreigde de kinderen te straffen en in het keldertje op te sluiten als zij het boekje zouden vergeten.

Die bewuste vrijdag had iedereen het communie-boekje bij zich. Behalve ik en Joséetje van Lier.
Joséetje woonde om de hoek, dus na haar tranen gedroogd te hebben rende ze gauw naar huis om het boekje alsnog te halen. Maar ik kwam van verre. De schrik sloeg me om het hart. Opgesloten te worden in het keldertje was doodeng.
Ik voelde de grond onder me vandaan zakken. Al op het schoolplein begon ik te snikken. Even later lag ik met schokkende schoudertjes aan mijn tafeltje.
Ontroostbaar. Zuster Alfonsa Frederika Hendrieka liep met glaasjes water af en aan. ‘Zó had ik het niet bedoeld!’ zei ze alsmaar.
Ik kreeg poëzieplaatjes van haar als troost.

PS: In het communieboekje moesten wij noteren wat voor ons het hoogtepunt van de zondag was in het kader van ons geloof.

Ik tekende mijn opoe die snoep uitdeelde.

Met prins Bernhard mee

Door Henk, 20 februari 2010 10:42

In 1956 (het kan ook ‘57 geweest zijn) bezochten koningin Juliana en prins Bernhard de Philips-fabrieken in Eindhoven. Onze stadsredactie bestond uit slechts anderhalve man en een paardenkop, de taken waren dus snel verdeeld: mijn chef zou Hare Majesteit doen en ik Zijne Koninklijke Hoogheid.
Het ging er in die dagen nog heel gemoedelijk aan toe. Niemand kwam op het idee met een automobiel op de geliefde leden van ons geliefd vorstenhuis in te rijden en zelfs niet hun een trap onder hun geliefde derrière te verkopen. Ik hoefde geen hondenpenning om, ik hoefde geen etiket op, ik hoefde zelfs mijn perskaart niet te laten zien, alle dienders van de Brabantse ‘ville lumière’ kenden de stadsredacteuren als ordentelijke, oppassende armoedzaaiers. Zo kon ik dus met de prins meelopen, net als bij een militaire parade: één pas rechts van hem, twee pas achter hem.
Wat ik me van zijn bezoek vooral herinner is dat hij zich stierlijk verveelde en zich had voorgenomen dit overduidelijk te laten blijken, vooral door een slungelachtige wijze van voortbewegen.
Op zeker moment werd de prins uitgenodigd een klein, stikdonker vertrekje te betreden ‘voor een kleine verrassing’. Er was juist plaats voor hem, zijn adjudant, drie ingenieurs van Philips en uw verslaggever. Een van de vernuftelingen verrichtte een geheime handeling en presto, prestissimo: er lichtte een in een kostbare lijst gevat glasschilderij op, voorstellende de Philips-fabrieken; het betrof een techniek waarmee de fabriek destijds experimenteerde en die door een van de ingenieurs werd betiteld als ‘black light’. Charmante noot: op de karakteristieke toren van de lampenfabriek had men de prinselijke standaard geschilderd.
De baas van het trio trad eerbiedig naar voren en zei dat Philips het een oprecht genoegen en ware eer zou vinden, indien Zijne Koninklijke Hoogheid het schilderij als geschenk wilde aanvaarden.
‘Ja, maar waat moet iek ermee doen?’ gaf de prins als bescheid. En slenterde weg, de ingenieurs als geslagen honden achterlatend.

Vroeger en nu

Door Marijke, 19 februari 2010 0:12

In de afgelopen week heb ik eindeloos gedwaald door de straten mijn jeugd. Confronterend en tegelijkertijd geruststellend. Want veel is er niet veranderd in die oude wijk. In het parkje aan het eind van de straat waar ik woonde is een uitlaatplaats voor honden gemaakt. Verder ademt het nog de oude sfeer van handstandje spelen in het gras en bloemtakken breken van de rozebloemige Japanse Sierkers om de stoel van mama te versieren op moederdag.
Het kerkje aan de rand van het park begrensd door het lage muurtje waarop je makkelijk kon lopen is onveranderd.

Het was een wijk met de bakker en de melkboer ‘om de hoek’. Bij één van die winkels woonde meneer en mevrouw Ebben. Gewoon ‘Ebben’ in het dagelijkse spraakgebruik. Zij hadden een winkel waar zij groente en fruit verkochten, maar ook wasmidddelen en het schoonmaakmiddel ‘Abro’ in een fles met in zijn binnenste een verse plastic druk-kraal voor de verzameling. Pas als de fles leeg was kon je de kraal te pakken krijgen. Ook kon je er wit/zwart, dropveters, kauwgomballen (voor een cent), zoethout en brokken druivesuiker, in de volksmond ‘Jodenvet’ geheten kopen. Joost mag weten waarom. Maar zo mochten mijn zusjes en ik de witte brokken niet noemen, want dat was oneerbiedig. Er werd geen uitleg bij gegeven, maar toch begrepen we het.

De winkel bestaat niet meer maar het pand nog wel. Je kunt de ‘winkeldeur’ nog zien omdat de omlijsting nog bestaat maar nu ingevuld met beton. Hoevaak hebben mijn kindervoeten het nu nog bestaande en nu zinloze stoepje ervoor betreden?

En dan het pand van Jan Steen, die een rookwarenzaak had. Hij woonde in zijn eentje in het grote huis boven de winkel. Het pand staat er nog steeds. Als men destijds sprak van ‘een huishouden van Jan Steen’, dacht ik dat het ging over het eenvoudige leven van deze Jan Steen en begreep daarom ook nooit wat daar mis mee was.
Mijn moeder rookte en het kwam nogal eens voor dat ze even na zessen tot haar schrik moest constateren dat ze niks meer te roken had. Ons werd dan gevraagd of we niet nog even konden kijken of Jan Steen nog in de winkel was. Zo niet moesten we maar aanbellen aan de voordeur. Jan Steen was altijd bereid te helpen, maar was doodsbang dat de politie hem zou betrappen op ‘verkoop na zes uur’. Hij liet ons dan wel binnen en dook in de winkel voor het pakje Caballero, schichtig om zich heen kijkend of niemand het zag, vervolgens deed hij de voordeur open, keek dan of er echt geen politie hem zou kunnen betrappen en gaf ons dan sissend het sein om er als een speer door de even geopende voordeur vandoor te gaan.

Voor mijn ouderlijk huis bleven mijn zus en ik even staan. De buitenkant met de oude deur met het raampje met gordijntje en de versierde bovenlijst. De vensterramen met de ruitlijsten en de halve boog erboven. Nog net zo als veertig jaar geleden. Het was alsof we gewoon aan konden bellen, waarna zoals vanouds het hoofd van mijn moeder zou verschijnen achter het het raampje terwijl ze het gordijntje met één hand opzij hield.. Het was nog steeds ons huis..

Ik weet en voel dat er wel iets aan het veranderen is, in mijn hoofd. Steeds minder moeite heb ik met het loslaten van het verleden, ondanks dat ik merk dat het verleden naarmate ik ouder word steeds dichterbij komt. Maar steeds minder verlang ik terug naar het verleden omdat het heden me zoveel goeds heeft gebracht. Ik, wij leven in hetzelfde tijdperk en niets gaat echt voorbij. Als ik zo nu en dan toch word overvallen door een nostalgisch gevoel, koester ik dat als een geschenk omdat ik dankbaar ben dat het verleden me niet bedrukt, ondanks de zware tijden die het ook heeft gekend.

Het gaat goed zoals het gaat..

Het verleden dichtbij
de toekomst al geweest
de tijd is

altijd

Nu

(eerder geplaatst 25 juli 2005 op dezonzijde.web-log.nl)

Het prille begin

Door Thérèse, 17 februari 2010 19:50

Mijn allereerste grote artistieke prestatie en tevens die van mijn zusje en een van mijn broers, was een heel toevallige. Ik zal dit vertellen zo als het in mijn geheugen zit. Of het precies met de werkelijkheid strookt, weet ik niet, maar mij maakt dat niet zoveel uit.
Wij woonden destijds in een heerlijk groot huis en als het regende, konden wij ons prima vermaken op een grote, geheimzinnige zolder. Er lagen daar appels op rekken opgeslagen, waarvan wij wel eens een hapje proefden. Maar vooral zeer interessant waren de kasten met allerlei dingen erin. Een zuurstofmasker uit de oorlog bijvoorbeeld; pas veel later wisten wij wat dat was. Wij voerden er leuke toneelstukjes mee op, bijvoorbeeld ‘De olifant met de grote ogen’. Er lagen kerstspulletjes. Zo kon het gebeuren dat het kindje Jezus nog eens midden in de zomer geboren werd.
.
En op een dag deden wij een prachtige ontdekking. Het grote schilderij, dat vroeger in de huiskamer gehangen had: De Paus, de Kardinaal en de Schildwacht. Een van de jongste kinderen noemde het eens ‘de Paus, de Garnaal en de Schildpad’. Dat hielden wij erin vanzelfsprekend. Vele keren zagen wij bij alle maaltijden de Paus (Pius XII) streng toekijken, geflankeerd door de Garnaal en de Schildpad, volgens mij met een helm op. Het was dus kennelijk op zolder beland. En wat vonden wij in een andere kast? Potten en potten met verf en kwasten bij de vleet.
.
Tja, lang aarzelden wij drieën niet. Wij werden direct danig geïnspireerd en konden het niet laten. Wel overlegden wij even, wat het zou worden, want er was tenslotte maar één doek of karton, waar wij het gezamenlijk mee moesten doen. Omdat wij vaak indiaantje speelden, besloten wij dat het een Indianentrio zou worden. Ik als oudste mocht de Paus ‘doen’ en hij werd natuurlijk een opperhoofd, met een grote verentooi. Mijn zusje en broer deden de anderen; beiden toverden de Garnaal en de Schildpad om in fiere Indianen. De kleding veranderden wij ook natuurlijk. Er bestaat geen Indianen Opperhoofd met een paarse lange jurk en een verwijfd wit capeje om of kapmanteltje. De helm van de Schildpad kon ook niet natuurlijk. Maar de gezichten, daar kwamen wij niet aan. Misschien dachten wij zo onze ouders niet te veel aan het schrikken te maken? Of vonden wij het op die manier veel meer om te lachen, net zoals je bij Kuifje kon lachen en Donald Duck? Ik zou het niet meer weten. Ook niet of onze ouders erg boos waren, ik wéét het niet meer.
.
Jaren later gingen wij warempel alle drie naar een kunstacademie.” Gods wegen zijn ondoorgrondelijk..”, schijnt mijn vader eens gezegd te hebben. Mijn zusje is later een heel andere kant uitgegaan; mijn broer is meer in de Industriële Vormgeving beland, maar toch hebben die Indianen vast een rol gespeeld bij onze diverse loopbanen.

Panorama Theme by Themocracy