Vriendenschaar

Door Rob, 12 april 2010

Het was de tijd dat je als kind gelukkig nog kind mocht zijn, dat er alleen op zondagmiddag werd gevoetbald en dat de tijd nog de tijd had. Het zal zo in het begin van de vijftiger jaren zijn geweest, de jaren waarin alleen maar werd gefietst of gelopen en je verder thuis leefde bij de radio, die houten kast die je verbond met de wereld en het leven wat kleur gaf en met het zondagse voetbal de monotonie van het leven doorbrak. Want jaren achtereen, zeg maar vanaf mijn zesde, zevende jaar, was de zondagmiddag hét moment van de week, als we om ongeveer kwart over één weer vol verwachting op pad gingen naar de Westersingel, waar Vriendenschaar zijn competitiewedstrijden speelde, welke precies als de klok op de vierkante toren twee sloeg, begonnen.

Met mijn handen in die grote van hem togen mijn vader en ik daarheen dus op pad. Veel werd er niet gezegd. Mijn vader was niet zo’n prater en ik was er nog te verwonderd voor en keek liever om mij heen, naar het Voorburg, Spoor’s Mosterd, de Kattenstraat, de melkfabriek, om langzamerhand in het toestromend publiek opgenomen te worden en aan te sluiten in de rijen die langs de kassa’s bij het voetbalveld schuifelden. Er werd nog gedempt met elkaar gesproken, want zo ging dat toen nog, zoals iedereen zonder veel omhaal van woorden zijn plaatsje zocht langs de hekken om het groene gras. Wij ook op onze vaste plek, met de spoordijk achter ons en ik nog eens extra beschermd met mijn vader daartussen.

En in zijn schaduw – kon het nog veiliger – zag ik die helden die nog zo ver weg en onaantastbaar voor mij waren. Het blauw en zwart maakte Jan Bronk, Bart van den Ham, Karel Smits, om er maar eens een paar te noemen, zo groot dat dat hun tegenstanders wel ontzag in moest boezemen, dacht ik in mijn kinderlijke onschuld die nog zijn plaats mocht hebben tussen al die volwassen mannen. De werkelijkheid was vaker anders, moest ik bij herhaling ervaren als Vriendenschaar tot mijn bitter verdriet verloor, wat de weg naar huis stukken langer maakte. Zo zat de wereld van mij toen wel in elkaar. En in de herinnering daaraan is nu nog slechts plaats voor zwart- en grijstinten, maar nog veel meer voor het gevoel van behagen en bescherming dat mijn vader mij daar langs die lijn wist te geven als hij op zo’n steenkoude winterse middag met zijn handen mijn oren warmde. Misschien wel het beste wat hij mij heeft gegeven. Want je blijft toch in wezen altijd vervuld van dat stille verlangen, van die heimwee daarnaar.

(eerder geplaatst 8 september 2007 op robhamilton.web-log)

Klaverjassen

Door Rob, 28 februari 2010

Met studeren had het in het geheel niets van doen. Maar het was toch een ijzeren voorwaarde om de avonden op een koude kamer alleen achter de boeken te kunnen doorbrengen. Voor ons althans wel. En daarom troffen we elkaar drie, vier keer per week een paar uur in de vooravond na het eten bij Hoppe op het Spui in Amsterdam. Want we wilden toch een huiskamergevoel met elkaar delen, Cor, Simon, Guus en ik, jongens uit de provincie die zo maar in de grote stad waren verzeild geraakt en enig houvast zochten en nodig hadden. Dus werd dat bruine café de plaats om naast ons obligate debat over de actualiteit van de dag met elkaar een kaartje te leggen, om te klaverjassen. Zo behoorden we al snel tot de vaste klantenkring, wat zijn subtiele bekroning kreeg in een reeks van stappen, te beginnen bij het moment waarop elke ober onze voornamen kende en wist wat ons gebracht moest worden, tot aan de speciale bereiding van de koffie toe. Waarmee we dus al half en half glorieerden en ons een eind op weg waanden naar de verkrijging van de speciale status die je toch bij een café als Hoppe destijds moest verdienen en waarop de eigenaar, Harry Mustert himself, nauwgezet toe bleef zien.

Dus kon het uiteindelijk, o dag van triomf, gebeuren dat wij onze vaste tafel kregen. Niemand die het in zijn hoofd durfde of moest halen om eraan te gaan zitten als wij er werden verwacht. Wij hadden onze plek verworven, veroverd, om die een paar jaar niet meer af te hoeven staan. Het aantal spellen dat er door ons is gespeeld, moet in de duizenden hebben gelopen en onze reputatie had zich gevestigd, was mijn stellige gedachte. Maar alles vervliegt en verandert, zelfs het oudste bruin van café Hoppe, dus ook de herinnering aan het verleden, merkte ik toen ik daar weer eens belandde na er bijna veertig jaar niet meer te zijn geweest. Eén ding bleek de tand des tijds te hebben doorstaan. Ons kaarttafeltje stond nog steeds op dezelfde plaats en oogde precies zoals op die novemberavond in 1969, toen we er voor het laatst van waren opgestaan. Zelfs het hoekje rechtsboven in de glasplaat erop kende nog altijd die kras die ook in mijn geheugen bleek te zijn gegrift. Ik zette mij eraan en dacht aan al die kaarten die ik er heb geschud. Niemand die ik ken, die er even handig mee is. Waarmee al die koppen koffie en vaasjes Amstel toch nog wat hebben opgeleverd, mag ik nu dus wel licht melancholisch zeggen.

(eerder geplaatst 28 maart 2008 op robhamilton.web-log)

De Makko

Door Rob, 25 januari 2010

Ik was een jaar of zeven toen we naar de andere kant van Culemborg verhuisden. Een hele ingreep in mijn jonge leven. Het betekende onder meer dat ik naar een andere kapper moest. Want iedere wijk had er wel een. Knippen was namelijk nog een kunst, een vak en de tondeuse was nog nergens, zelfs niet bij menige kapper, te vinden. Ook niet bij mijn nieuwe kapper, Thijs “de Makko”, die zijn nering was begonnen toen de sigarenindustrie kort na de oorlog in een malaise was geraakt en hij daardoor brodeloos werd, maar wel zijn bijnaam bleef houden, te danken als hij die had aan het speciaal merk sigaar dat hij als enige in Culemborg wist te vervaardigen. Omdat hij vijf monden had te voeden en er dus brood op de plank moest, maakte hij zich de vaardigheid van het knippen en scheren snel eigen en startte hij zijn eigen winkel aan huis, op de hoek van de Tulpstraat en de Zonnebloemstraat, waar ik mijn haar iedere twee weken voor een kwartje in het bloempotmodel moest laten knippen. De Makko kon dat als geen ander, hoewel hij wel uitgebreid de tijd voor elke klant nam. Wat zoveel betekende dat je toch gauw een middag kwijt was voordat je zijn pand weer kon verlaten. Ieder haartje passeerde immers zijn schaar, terwijl hij intussen de grootste verhalen ophing.
Was het niet tegen mij om indruk te maken en daar was toen maar weinig voor nodig, dan wel tegen die wachtende klant, die hij uiteraard ook graag van plaatselijk nieuws voorzag. Het moet voor hem een tijd van glorie zijn geweest, zoals hij intens leek te genieten van zijn bezigheid als hij zijn mond aanhoudend open en dicht deed, synchroon aan de bewegingen van zijn trefzekere schaar. Maar zijn moment suprême kende hij het meest als hij het voor zijn etalage wachtende volk kon bedienen met de uitslag van de etappe in de Tour de France, met name als hij de naamkaartjes achtereenvolgens mocht hangen op het bord dat hij op een vroege zondagochtend zelf had gefabriceerd. Vijf, zes jaar heb ik die gang op de vrije woensdagmiddag gemaakt, een keer per twee weken. Dat waren ook de vijftiger jaren voor mij, zoals de zestiger jaren het begin van een nieuwe tijd aankondigden. En die werd misschien wel het beste verbeeld ook door diezelfde Makko, wanneer ik hem elke dag weer, stipt op dezelfde tijd, plichtsgetrouw zag wandelen – het was eerder sjokken – langs de Stationsweg in de richting van de fabriek waar hij in het magazijn een baan had gekregen.

(eerder geplaatst 25 mei 2008 op robhamilton.web-log)

Doorlopers

Door Rob, 17 december 2009

Lang heb ik tegenover mijn ouders volgehouden dat het aan het materiaal heeft gelegen dat ik nooit die echt goede schaatser ben geworden, die zo lekker achteloos de bochten kon nemen, er als het ware in hing, beentje over deed alsof er niets aan de hand was en dat ronden achtereen, met de handen achteloos op de rug. Het is me niet gelukt en eigenlijk voelde ik het al toen ik mijn eerste schaatsen kreeg en daarmee naar de feestelijk verlichte Paardengracht toog. Ze waren van een ander soort dan iedereen had, wat mij, vond ik, dus al meteen op achterstand zette. Lastig was het dat ze zich zo slecht lieten binden. Eén rondje, een klein rondje dus, krabbelen en de linten waren weer los en de ijzers sleepte ik langs mijn laarzen mee over het ijs. Die verdomde linten waren het dus die mij hinderden om dat schaatsen te leren, om stukje bij beetje vooruit te komen, om mijn ouders een gevoel van tevredenheid, van enige trots te bieden over de prestaties van hun zoon.

Maar ja, dan hadden ze maar van die schaatsen met krullen en riemen in plaats van die ijzers met punten en linten moeten geven. Dan hadden ze nog eens wat kunnen beleven, woelde het elke keer door mijn hoofd als ik het toch maar weer probeerde. Want die Paardengracht, met haar lichtjes, met haar muziek, met Antoon Sleeuwenhoek, die ronde na ronde als lichtend voorbeeld voor mij zijn banen bleef trekken, had een magie en bleef mij lokken, maar een slag in het schaatsen kwam ik niet vooruit. En zo worstelde ik winter na winter door, zonder een spoor van perspectief of resultaat. Het bleef alleen maar sukkelen en krabbelen met als grootste schuldige, vond ik, het materiaal. Hoop wenkte er toen ik naar de middelbare school ging en ik ook door mijn ouders toch wat te groot werd geacht voor de schaatsen die ik tot dan toe had.

Dus werd ik de trotse bezitter van Friese doorlopers van Nooitgedacht uit IJlst en daarmee vervuld van de verwachting dat het met mijn schaatskunst nu wel goed zou gaan komen, in het rijke bezit als ik nu was van het goede materiaal. Bovendien waren de ijsbanen in Utrecht veel beter, draafde ik ook nog eens door met mijn prille verstand. Dus kon er eigenlijk niets meer mis met dat schaatsen gaan en zou mijn talent wel spoedig daar op banen zoals Arosa of de Johannapolder ontluiken. Maar dat had ik dus duidelijk gedroomd, want met het vorderen van de winters begon langzaam, maar wel heel zeker bij mij het besef door te dringen dat het met dat schaatsen van mij wel nooit wat zou worden. De winter van 1963, dat kreng zoals we er nooit meer een hebben gekend, en haar onbarmhartige kou brachten mij tot het inzicht dat ik mijn pogingen op het ijs maar beter kon staken. Ik heb mijn doorlopers toen definitief opgeborgen. Het waren voor mij doodlopers geworden.

(eerder geplaatst 23 december 2007 op robhamilton.web-log)

Blauwtje

Door Rob, 9 december 2009

Het was december 1959. Ik was tot over mijn oren verliefd op A. en moest en zou dat aan haar laten weten. Nu was ik allesbehalve een Casanova. Dus moest ik een list verzinnen om het zover te laten komen. Goede raad was duur. Ik vroeg haar om met mij naar de bioscoop te gaan. Wat had je anders voor een vermaak in die tijd? Ik wist een leuke film: “Mon oncle” van Jacques Tati. Die moest wel bij haar in de smaak vallen.
Zo stond ik om kwart voor zeven ‘s avonds op 23 december 1959 voor de Scala – bioscoop in Utrecht op A. te wachten. Alles in mijn lichaam bonsde wat er maar bonzen kon. Mijn blik voortdurend naar links, want van die kant moest ze komen. De gekste dialogen spookten door mijn hoofd, de ene vraag met alle denkbare antwoorden daarop werd gevolgd door de andere. Het wachten duurde natuurlijk lang, en steeds langer, ik begon al vaker van het linker – op het rechterbeen en andersom te steunen, de eerste twijfels bekropen mij, want A. was nog steeds niet te zien. Ze zou mijn vraag toch wel begrepen hebben? Of zou ze denken dat het om de tweede avondvoorstelling ging? Dan toch maar wachten tot dat moment, me intussen verliezend in aanknopingspunten die mijn verwachtingen moesten rechtvaardigen. Maar wie er ook langs kwam, heel veel mensen, behalve A.
Ik heb haar die avond dus niet meer gezien. Er zat voor mij niets anders op dan om met mijn illusie, mijn blauwtje, de laatste trein naar huis te nemen. Leger kon een trein niet zijn, langer heeft die reis naar huis nooit meer geduurd. Thuis gekomen ben ik in bed gekropen en ben daar, dacht ik, een paar dagen bijna niet uitgekomen. Als “Eenzame Kerst” van André Hazes toen al was verschenen, had ik het waarschijnlijk ook nog mooi gevonden. Zo erg was ik er aan toe.

(eerder geplaatst 14 februari 2006 op robhamilton.web-log)

Panorama Theme by Themocracy