Tourmalet, Pyreneeën

Door Bertie, 23 juli 2010



Geïnspireerd door de beelden van de Tour de France, bekeek ik de vakantiefoto’s en vond daar dit plaatje met het échte uizicht.
De vorige foto was overigens wel van de Pyreneeën, een stukje lager.

Pyreneeën

Door Bertie, 27 juni 2010


Pyreneeën, zomer 2008

Bloemetjesrok

Door Bertie, 6 mei 2010

Een rok.
Een knalgele rok met gekleurde bloemetjes,  bijna realistisch te noemen, die maakte ik van een meter superaantrekkelijke katoen.  Mooie stoffen kocht ik altijd per meter, meestal was dat ruim voldoende  maar dit terzijde. (Ik was toen 28 of zo, vandaar.)
Het werd een prachtige rok, net boven de knie, een  ietsje  klokkend  want de lap was maar 120 cm breed.
Trots liep ik er mee rond.
Bijna iedere dag droeg ik hem met telkens een ander shirtje: het blauw van de vergeetmenietjes of het wit van de madeliefjes, rood,  rose, vooral zwart stond er mooi bij. Ook echtgenoot keek met plezier naar mij in mijn rok hetgeen    me nog blijer maakte.
Langzamerhand werd het zomer; met de kinderen aten we buiten en we gingen naar  het zwembad;  aldoor droeg ik de bloemetjesrok.
En daar merkte ik het nadeel van die realistische kleuren.
Ze trokken wespen aan en niet zo weinig.
Aanvankelijk waren het er twee of drie die op de rok neerstreken maar gaandeweg het seizoen werden het er meer en meer, tot ik het ding niet meer durfde te dragen.
Die stomme wespen, die het verschil niet zagen tussen echte bloemen of Mijn Rok….
Als ik het zelf niet had meegemaakt,  zou ik dit nooit hebben geloofd.

Handwerken op de Lagere School

Door Bertie, 30 maart 2010

Het was een probleem, handwerken en ik. We pasten niet bij elkaar.
Als moeder breidde ik menig trui en naaide ik veel kinderkleren maar op de lagere school was mijn handvaardigheid een droefenis.
Bij het eerste werkstuk, in de tweede klas, ging het nog wel.
We maakten een broddellapje. Borduren op een grof stramien, dat was gemakkelijk.
In de derde klas was een onderkleedje voor asbakken e.d. het voorbeeld, in spinnenwebvorm, te haken van crèmekleurig glansgaren. Het lukte.
In de vierde klas werd het menens; er kwam een nieuwe non met modernere ideeën zodat er aangepaste werkstukken werden aangeboden.
Nou ja, wat zij voor modern hield.
We kregen een voorgeknipt katoenen lap, naar keuze in blauw of zalmrose (jèk..) waarvan we een heuse onderbroek in elkaar moesten zetten.
Echt waar, in de jaren dat we allang tricot-ondergoed van Hollandia kochten moesten wij het zelf naaien. Dat heette leerzaam.
Dragen deed ik de broek niet, hij zat nooit lekker en de elastiek deugde ook niet.
Daarna, in de vijfde klas, mochten we sokken breien; ook die waren onbruikbaar omdat ik de hielen en teenstukken door elkaar haalde.
Voor de zesde klas was een prestigieus project gepland, we gingen een trui breien in ajourpatroon. Ajour is een patroon met gaatjes.
Achach, wat een boel gaten had die trui. Een voor de hals, twee voor de armen en een ontelbare hoop als gevolg van breifouten. Het werd een doorkijktruitje.
Misschien dat dat de reden was dat mijn moeder het verdonkeremaande, bang dat ik het zou aantrekken en daarmee de buurjongens op stang zou jagen.

Für Elise

Door Bertie, 2 maart 2010

Toen ik in de eerste klas van een middelbare school zat bracht een jongen uit een van de hoogste klassen dit pianostukje, op een schoolfeest.
Dat was dapper, popmuziek vierde ook toen al hoogtij.
Ik was meteen verliefd; op de jongen uiteraard maar dat besefte ik niet. Ademloos volgde ik zijn handen, gezicht, zijn concentratie. Hij speelde het voor míj, wist ik, ik was Bertie maar ook Elise. Dromend volgde ik het stuk.
Andere -grotere- meisjes droomden hetzelfde, zo bleek uit het donderend applaus. Ik begreep dat hij een brugklassertje niet zag staan; maar had er vrede mee. Voor een twaalfjarige was wegdromen het belangrijkste.

Dit filmpje is tevens leuk voor de liefhebbers van technische muziekzaken:
Je ziet niet alleen de spelende handen maar ook de toetsen, notenbalk en de toonband.

(eerder geplaatst 25 oktober 2009 op shortstories.web-log)

‘Noten toe’

Door Bertie, 16 februari 2010

In de jaren vijftig was er een programma op de radio dat heette: ‘Half acht, noten toe’
Misschien werd er een andere tijd genoemd, maar er waren in ieder geval noten.
Voor ons, kleinsten, was het te laat, wij werden geacht te slapen op die tijd, welke dan ook.
Maar er knaagde iets aan me.
Kijk, als ukkie had ik al een scherp oog en oor voor de eetbaarheid van de dingen.
(Vraag me niet waar deze eigenschap vandaan kwam, we kregen voldoende te eten en te drinken; het zal een afwijking zijn.)
Maar ik was te klein om de juiste verbanden te leggen, kon ook de gids nog niet lezen, ik begreep slechts dat er ‘s avonds noten waren.
En dat hield me wakker.
Beneden werden noten gegeten terwijl wij moesten slapen. Onverdraaglijk. En dat terwijl ik ze zo lekker vond…
Niet alleen de oneerlijkheid was onverteerbaar, ook het gemak waarmee mijn moeder het naar voren bracht:
‘Schiet op, straks is er noten toe.’
Dit verbaasde me nog meer dan de ongekregen noten. Vond ze het dan gewoon dat wij geen noten kregen en de groten wel?
Daar piekerde ik over als ik geacht werd te slapen.
Gewoon vragen waarom wij geen noten kregen was beter geweest maar in die jaren vroeg je niet zoveel.
Toch werd het me op een avond teveel.
Wéér moesten we opschieten want alwéér kregen ze noten toe.
Het was teveel en ik brak, riep verongelijkt:
‘Dan moeten jullie er voor ons ook ‘n paar bewaren…’

Verf

Door Bertie, 2 februari 2010

Ons ouderlijk huis was er een van hout, een klein Zaans pandje. De schuur was ook van hout. En de schuur van de buren, waarvan de achterkant aan onze stoep grensde. Zelfs de wc’s waren van hout, zoals alle wc’s in ons buurtje aan de Dorpstraat.
Dientengevolge was er altijd verf aanwezig; zorgvuldig opgeborgen opdat we er niet aan konden komen. Toch had Wim, als jongste broertje meestal Wimpie genoemd, een pot verf gevonden, een groot blik carbolineum. Vijf of zes jaar was hij, maar samen met een vriendje wist hij het open te krijgen en kwasten te voorschijn te toveren. Ze gingen aan de slag, stiekem natuurlijk want het moest een verrassing worden.
En dat was het.
Mijn vader kwam thuis; Wimpie met vriendje wachtten hem op:
‘Kijk es pa, we hebben de wc geverfd!’
Vader keek verwonderd naar de vuil/zwarte jongetjes die trots naar het erf liepen en op hun werkstuk wezen.
Sprakeloos staarde pa naar de zwartstreperige wanden en deur.
Ze hadden niets vergeten, ook het interieur was geschilderd tot de zitplank aan toe.
Hij haalde moeder erbij: ‘Moet je nou toch zien wat Wimpie gedaan heeft….’
Moe kwam erbij staan en keek maar ook zij kon niets uitbrengen; ze stikte bijna van het lachen.
Het is nog vaak verteld en mooier gemaakt maar dit is de waarheid; hij verfde alleen de wc maar dan ook hélemaal.
Van de afloop herinner ik me vooral de lucht van wasbenzine waarmee Wim gereinigd werd; de ergste klodders verdwenen, de rest van de verf moest er af slijten.

Carnaval

Door Bertie, 27 januari 2010

Lang geleden, in de vierde klas van de (toen nog) Lagere School, heb ik voor het eerst carnaval gevierd. Het was een katholieke meisjesschool in de Zaanstreek. De non die ons les gaf vertelde met overgave van dit feest, dat in Brabant zo prachtig gevierd werd, volgens haar. Over de verkleedpartijen sprak ze, de liedjes en vooral over het plezier dat de kinderen aan deze traditie ontleenden. Ze stelde voor om het in deze klas ook eens te vieren en op carnavalsdinsdag verkleed op school te komen; iedereen had wel ergens een hoedje, mombakkes, oude schoenen of een ander grappig artikel in huis, meende ze. We zouden hossen op zelfgezongen muziek: ‘t Hermenieke van Bergeyk’, volgens haar het toppunt van Brabantse leut.
Verlegen kind als ik was had ik er niet veel zin in maar ik durfde niet níét mee te doen. Ik vertelde het mijn moeder pas op het laatste moment, op de dag dat het feest zou aanvangen. Weinig tijd dus om een verkleding te versieren. Maar moeder, een extraverte en opgeruimde vrouw vloog enthousiast van haar stoel, vervuld van goede bedoelingen. ‘Kind, wat ééénig,’ riep ze en dook meteen in de voddenzak. Hier was ik al bang voor, haar buitenissige gevoel voor humor kennende en ja, daar kwam een grauwzwarte rok naar boven. Ze klopte de kreukels eruit en ik moest passen. Een bloes volgde, met gerafelde manchetten (het was niet voor niets een voddenzak) waarvan de knopen waren afgetornd. Ook dit moest ik aan. Ze keurde me en nam een nieuwe duik waarbij ze een schort, voorheen gebloemd, opviste. Met spelden en elastiekjes sjorde ze net zo lang tot de spullen aan mijn lijf bleven hangen. Ze keurde nogmaals. Beknepen zei ik dat dit genoeg was, ‘meer hoeft niet, alleen wat lippestift, toe nou,’ maar ze luisterde niet en haalde nog een worteldoek tevoorschijn, een bruine lap met paisley-achtige motieven. Die werd om mijn schouders gedrapeerd, halfvergane franjes treurden op mijn rug. En nog was het niet genoeg. Uit het dressoir toverde ze een oeroude, bleekroze feestneus-met-snor, aandenken van een bruiloft. De afgang was compleet.
Bijna in tranen stond ik voor de keukenspiegel, rondkijkend naar een reddingsboei. Die vond ik in broertjes speelgoed, een zwart boevenmasker.

Ál een haas rende ik naar school, probeerde niet te letten op de overige klasgenootjes die er heel wat normaler uitzagen in hun opoemutsjes, bloemenhoedjes en namaaksproeten.
Ik vloog de schoolpoort in.
De zuster bekeek me, fronste en plaatste me achter in de rij die we moesten vormen om al hossende en zingende de rest van de school te vermaken.
Met verlegen, linkse passen bonkten we door de lokalen waar vooral de eersteklassertjes verstijfd van schrik wachtten tot de bezoeking voorbij was.
Daarna kregen we ranja. De feestsnor hing treurend in het glas; de zuster gebood me de neus af te doen.

Carnaval in Noord-Holland, hoe verzint iemand het.

Kassaleed

Door Bertie, 9 januari 2010

Ongeveer acht maanden geleden bij de supermarkt.
De caissière was oerchagrijnig. Niet uitgeslapen? Ongesteld? En konden wij daar wat aan doen?
De klantenrij was dan ook stilletjes, beducht voor haar effen gezicht.
Vóór me stond een man.
Een vriendelijk klein mannetje, niet zo jong meer. Hij keek al ‘n beetje benauwd.
Hij was nog niet aan de beurt maar ging, na een blik op het narrige sekreet, alvast een doos uitzoeken zodat hij snel kon inpakken.
Er was geen passende doos en hij zocht een paar seconden.
Intussen was de rij opgeschoven; het kassamonster wachtte, zwijgend.
Schichtig haastte hijj zich met een veel te klein doosje naar zijn plaats waar de artikelen al gescand waren, het waren er maar een paar: twee flessen en een kleine taart..
Wat nu? Eerst afrekenen? De boodschappen inpakken? Even aarzelde hij, van zijn stuk gebracht door het afwijzende gezicht, dan deed hij
het taartje in de doos, wilde de fles er bovenop leggen, zette de fles weer terug; hij transpireerde.
‘Acht euro en vijf cent,’ zei ze luid.
Het klonk als een vonnis.
Bijna liet hij de fles vallen en graaide naar zijn portemonnee..
Angstig legde hij een biljet van tien euro neer, oei.
Gespannen wachtten we af en ja. ‘Heeft U er vijf centen bij?’
We hielden de adem in, zagen hoe mannetje verder worstelde met de te kleine doos en tegelijkertijd naar een muntje zocht.
Net wilde ik er een opdiepen als hij er zelf een vond.
Opluchting was voelbaar en toen hij zenuwachtig naar de wachtenden keek lachten we hem allemaal blij toe, we zouden hem willen knuffelen.
Hij fleurde op, pakte de spullen onder zijn armen en vertrok.
Toen was ik zelf aan de beurt; gehaast propte ik alles bij elkaar in de tas.
Gelukkig had ik de pinpas bij me, ik zou haar aanraking bij het wisselen niet kunnen verdragen.
‘Goedemiddag nog,’ groette ik.
Ze blafte maar ik weet niet wat ze zei.

©

Geplaagd

Door Bertie, 2 januari 2010

Zoals veel meisjes weten zijn broers zeer vindingrijk in het pesten van hun zus.
Als jongste in het gezin werd ik dan ook danig geplaagd door de mijne, die er een handje van had om me voor de gek te houden, mijn haar in de war te wrijven, gehaktbal van mijn bord te kapen, me te laten schrikken, eindeloos was zijn fantasie. Voor support hoefde ik niet bij de zussen aan te kloppen; integendeel, zij zouden er nog een schepje bovenop doen.
Toegegeven, de plagerijtjes waren meestal onschuldig; en er stonden veel leuke verwennerijen tegenover die me, jongste meisje zijnde, óók ten deel vielen. Het probleem was dat ik nergens tegen kon, volgens de anderen. Met als gevolg dat ze er soms een spelletje van maakten om me aan het huilen te krijgen; kom aan Bertie’s pop, steek tegen Bertie je tong uit, succes gegarandeerd. Een plaagstootje in een stoeipartij bracht me al aan het blèren en na elke ‘BOE’ jankte ik naar mijn moeder, de enige die me troostte.
Op een dag werd het zelfs haar teveel; in plaats van mij te sussen vroeg ze:
‘Wees toch wat verdraagzamer, waarom huil je nòu weer?’
‘Omdat ze,’ snikte ik ‘altijd míj moeten hebben. Ik ben altijd het mispunt.’
Het was een seconde stil.
Toen werd ik pas echt uitgelachen.

Panorama Theme by Themocracy