Het zal begin zeventiger jaren geweest zijn. Mijn toenmalige vriendin en ik hadden bij haar ouders één of andere voetbalwedstrijd op TV gekeken. Daarna zou ik weer naar huis gaan. Via de achterdeur liet m’n vriendin mij uit, maar omdat we zo in gesprek waren liepen we beiden verder. Je kwam dan uit op een binnenterrein waaraan garages met platte daken lagen. Daarachter lagen tuinen van een ander blok huizen. We besloten op één van die garages te klimmen, en aldus zittend op het platte dak verder te praten. Zo gezegd, zo gedaan. Na enige tijd kwamen twee politie-auto’s met zwaailichten de binnenplaats oprijden. Ze stopten bij ons. ‘Wat doen jullie daar?’ ‘O, we zitten gewoon wat te praten.’ ‘We zijn gebeld dat er mensen bezig zijn om in te breken. We zullen jullie mee naar het bureau moeten nemen.’
Nou, oké, dachten we. Die ervaring pakken ze ons niet meer af. Daar werden we afgevoerd in één van de politie-auto’s. Op het bureau duurde het nog een uur voordat iemand met een formulier de stand van zaken kwam opnemen. ‘Naam?’ ‘Gerrit D, meneer.’ ‘En van u, jongedame?’ ‘M van de M, meneer.’ ‘Misschien familie van de Officier van Justitie?’ ‘Jawel, zijn dochter…’
O, nou, het spijt ons, bla bla bla. We zullen jullie zo snel mogelijk weer terug naar huis brengen. Enzovoorts, enzovoorts.
Hier brak onze klomp. Stel je voor dat we een nietszeggende naam hadden. Dan hadden we moeten praten als Brugman om ervoor te zorgen dat wij geloofd werden. Want ja, wie gaat er nou voor de lol tegen middernacht op een plat dak van een garage een beetje ouwehoeren…?
Nee, sinds die tijd snap ik heel goed de frustratie van mensen, wanneer ze opgepakt worden voor iets dat ze niet gedaan hebben, maar niet geloofd worden. Hadden ze maar familie moeten zijn van een in die wereld bekend persoon…..
SIRE is enkele weken geleden begonnen met een campagne ‘aardig zijn, aardig doen’. Er is zelfs een speciale website bij opgezet: pasopaardig.nl. Ik heb daar even op rondgekeken; voor mij wakkert dat eerder agressie op dan dat het mij aanzet tot ‘aardige’ daden. Maar goed, dat zit misschien wel in mij. Feit is, dat die campagne mij deed terugdenken aan een voorval uit mijn studententijd.
Ik was met een paar vrienden verzeild in een café in de Veemarktstraat in Tilburg. Een vrij smalle kroeg aan het begin, meer naar achteren was er een royale ruimte. In dat smalle deel stond ook de bar, met krukken om aan de toog te zitten. Daar zaten wij, nou ja, niet constant, maar het was wel ‘ons’ hoekje. Op een bepaald moment stond ik op om naar achter te lopen, juist op het moment dat een jongedame de andere kant op liep, en ik voor haar min of meer in de weg stond. Daar had ze niet op gerekend. ‘Kan je niet uit de weg gaan…’ klonk het, en meer van die dingen. Af en toe een bedreiging ertussendoor. Ze had er duidelijk zin in.
‘Wil je misschien iets drinken?’ vroeg ik op een bepaald moment. De verandering die deze vraag in haar teweeg bracht, was verbazingwekkend. Ze sloeg als een blad aan de boom om. Ze wilde wel een pilsje. Lachend vervolgde ze even later haar weg…
Wij werden grootgebracht met klassieke muziek. Vivaldi, Albinoni, Telemann, Beethoven, Mozart, Bartok, Chopin om er een aantal te noemen. Maar ja, hoe gaat dat….je gaat naar school, je komt bij vriendjes, je hoort andere muziek, je stemt de radio af op een ander zenderstation, je brengt andere muziekinvloeden het huis binnen. Beatles, Stones, Elvis om maar iets te noemen. Mijn broer was wat experimenteler ingesteld. Die luisterde naar Captain Beefhaert, Groep 1850, The Outsiders, Cuby and the Blizzards, en naar Frank Zappa. Vooral mijn vader interesseerde zich voor de muzieksoorten die onze voorkeur hadden. Af en toe merkte hij op: het lijkt erop dat de Beatles vaak naar klassieke muziek geluisterd hebben, er is veel verwantschap. Dat vond hij eveneens van de muziek van Frank Zappa, hoe experimenteel ook.
In 1971 trad Frank Zappa samen met the Mothers of Invention op in Rotterdam Ahoy. Ons vader stelde voor om met z’n allen naar dat concert te gaan. Hij wou dat wel eens meemaken. Als ik ergens spijt van heb, is, dat ik toen zei, dat ik geen zin had, dat ik eigenlijk niet zo van die muziek hield…Ze kwamen heel enthousiast terug. Het opmerkelijkste vonden mijn ouders dat het concert zo keurig op tijd begon. Het zou om 20.00 uur beginnen, en het begon om 20.00 uur. De muziek stond qua volume precies goed. Onder het publiek was het één grote saamhorigheid, ieder werd in zijn/haar waarde gelaten. Mijn ouders zaten met mijn twee broers (mijn zusjes waren nog te jong) op de grond tussen hasj rokende jongeren. Dat kon toen nog gewoon (hasj roken bedoel ik dan). Joints werden van links naar rechts doorgegeven. Zodra die mijn vader of moeder bereikten, werd er even een omtrekkende beweging gemaakt…zonder commentaar, alsof het de normaalste zaak van de wereld was: ouderen roken geen hasj. Nee, mijn ouders hadden geen spijt.
Later heb ik de LP ‘We’re only in it for the money’ gekocht van Frank Zappa en the Mothers of Invention. Ik begon de groep ook goed te vinden.
De LP heb ik nog steeds, maar ik kan ‘m niet beluisteren, omdat ik daar de apparatuur niet meer voor heb..
Een mild satirisch programma eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Het team van Farce Majeure werd in 1975 beroemd met hun lied ‘Kiele kiele Koeweit’ nav de oliecrisis. Het programma vormde eigenlijk de brug van ‘Zo is het toevallig ook nog eens een keer’ naar het ‘Simplisties Verbond’. Midden jaren tachtig is er nog een herstart geweest van Farce Majeure, maar dat sloeg niet meer zo aan.
Vast onderdeel van de eerste programmaserie was de uitsmijter ‘Dat is uit het leven gegrepen’. Met een soort podiumwagen deed het team telkens een andere stad aan. Mensen uit het publiek mochten vragen stellen aan het Farce-forum. In feite waren het vragen die Alexander Pola van te voren al bedacht had. De mensen hoefden slechts voor te lezen van een blaadje. Dat leverde vaak komische momenten op, omdat het regelmatig voorkwam dat de betreffende persoon eigenlijk niet snapte wat hij/zij nou vroeg…
Zo kwam het team ook een keer in Dordrecht. Zodra de lessen op school voorbij waren, spoedde ik mij naar het plein waar het forum neergestreken was met hun wagen. ‘Kan-ie maatje?’ Het was flink druk. Ik heb niet veel kunnen volgen, van zo’n afstand, maar het was wel grappig om ze daar zo bezig te zien. Je zag dat ze lol hadden. Het maakte hen niet uit dat er regelmatig iets mis ging.
…’Wat dacht je wat’…
‘Dit is uit het leven gegrepen’ was daarna nooit meer hetzelfde….
Ik heb nooit zo goed begrepen waarom 1 januari een significant andere dag zou moeten zijn dan 31 december. Oké, er begint een nieuw jaar. Administratief begint het meeste weer op nul. Maar het leven? Er zijn mensen die ‘goede voornemens’ hebben: minder eten, meer lezen, stoppen met roken, vriendschapscontacten beter onderhouden, enzovoorts. Allemaal nuttig, maar waarom kan zoiets niet bijvoorbeeld op 3 juli? Het moment van aftellen naar 12 uur, de jaarwisseling, ik heb er nog steeds een unheimlich gevoel bij. Ik doe er wel niet meer zo moeilijk over, schud ook handjes, wens de mensen een goed komend jaar, enzovoorts. Als puberende jongen echter zette ik alle hakken in de grond.
Ik heb het een keer gepresteerd om vlak voor 12 uur naar de WC te gaan, om er weer vanaf te komen toen ‘het gevaar’ geweken was.
Dat werd me niet in dank afgenomen.
Toen wij, kinders, zindelijk waren en zelfstandig naar de WC konden, vonden mijn ouders de tijd rijp om in de vakantie te gaan kamperen. Een gezin van zeven personen. Verhalen over bungalowtenten hadden ze al genoeg gehoord….dat werd het dus niet. Nee, er werd een Happy aangeschaft: een karretje met uitvouwbare tent (gebruiksvriendelijk op te zetten), tevens onderweg te gebruiken voor de bagage. Een soort Travelsleeper dus. Voor de oudste twee kinderen werd een bijtentje gekocht.
De reis ging naar Frankrijk, het land van de onbegrensde kampeermogelijkheden. De vakantie begon vanaf het moment dat de deur achter ons dicht gedaan werd. De grote wegen werden zoveel mogelijk gemeden. Onderweg werd regelmatig gestopt bij een leuk gebouw, de stadskern van een dorpje, kerkjes, enzovoorts. Er werd veel cultuur gesnoven. Dat ontlokte eens de opmerking: kijk pa, een gotische boer op een romaanse fiets….
Tussendoor moest ook aan de inwendige mens gedacht worden. Picknicken, weg van de weg. Met zo’n karretje achter je auto moet je altijd alert zijn op de afslagen die je neemt: kun je nog normaal omdraaien, of kun je verder rijden. Dat ging nog wel eens mis. Dan werd het karretje ontkoppeld, de auto gekeerd, en weer aangekoppeld.
Tot het moment dat mijn vader dacht: nu is het toch rustig, laat ik eens oefenen in keren met het karretje aan de auto. De stuurbewegingen had hij wel door, maar niet in hoeverre het karretje de hoek kon maken zonder de auto te raken. Mij werd gevraagd om daarop te letten: ‘Roep maar Ho als die er tegenaan zit’.
Die opdracht had ik iets te letterlijk genomen….
1963. Dit jaartal is al eerder gememoreerd. Koud, heel koud was het toen. Er werd een Elfstedentocht gereden, waar nu nog over gesproken wordt. Terwijl 10.000 mensen van start gingen, wisten slechts 59 personen een kruisje te verdienen. De aankomst van winnaar Reinier Paping wordt nog regelmatig op TV vertoond. Onlangs is de film ‘De hel van 1963′ uitgebracht, een film die deze Elfstedentocht als uitgangspunt genomen heeft.
In datzelfde jaar gebeurde er iets anders: de Noordzee was bevroren. Dat was nog eens uniek. En veel spannender. Op een zondag togen we ‘en famille’ naar Scheveningen. We waren niet de enigen, die dat idee hadden. Iedereen wilde wel eens over zee lopen. Het was wel anders dan we ons van te voren voorgesteld hadden: echt lopen kon je niet, maar we hadden in ieder geval op de zee gestaan. ‘Blijf goed bij elkaar, jongens, let goed op elkaar…!’ De waarschuwingen waren niet van de lucht. Toch was er een moment van onoplettendheid: broer J was uit het oog verloren. In geen velden of wegen meer te zien, zo tussen de mensenmenigte. ‘Goed zoeken, jongens’. (Het woord ‘jongens’ werd altijd als verzamelnaam gebruikt voor zowel de jongens als de meisjes) Broer C liet vervolgens vol trots een gulden, een kwartje, een ketting en een pen zien, maar daar zaten m’n ouders niet op te wachten. Ten langen leste naar het politiebureau: daar zat broer J rustig een stripboek te lezen, zich van geen kwaad bewust. Hij had zelf de weg naar de auto gevonden. Omdat hij daar zo alleen bij de auto zat te wachten, werd hij door oplettende agenten toch maar meegenomen naar het bureau.
Door de spanningen vanwege het zoeken, werd de belevenis rond de bevroren zee eigenlijk naar de achtergrond gedrongen.
Het zal begin zestiger jaren geweest zijn. De benedenverdieping van ons huis was net verbouwd. Eén grote ruimte was er nu….open keuken (toen al) grenzend aan de eethoek, in het midden de muziekhoek en aan het andere eind de TV annex zithoek.
Er was één muziekinstallatie in huis, die van beneden dus. Radio, platenspeler en bandrecorder. Urenlang kon mijn zusje in de stoel naast de radio zitten. Vaak tot ergernis van ons moeder: ‘Zit daar toch niet zo, ga eens wat doen!’ Waarop mijn zusje zei: ‘Maar ik doe al iets, ik luister naar de muziek…’
Enkele jaren later is mijn zusje een goede dwarsfluit- en saxofoonspeelster geworden. Met de dwarsfluit heeft ze zelfs de radio gehaald…(nee, ze heeft niet haar beroep van muziek maken gemaakt)