Een brilletje
Mensen die mij kennen weten niet beter of ik heb een bril op. Zonder bril kan ik redelijk zien al wordt dat de laatste tijd ook wat minder. Toch voel ik mij beter met en draag hem dus altijd. Maar dat is niet altijd zo geweest. Ik denk dat ik een jaar of acht was (1952) dat mijn moeder bij de schoolarts klaagde dat ik altijd zo zat “te knijpen”. De dokter liet mij wat letters lezen op een bord dat in het kamertje was gehangen en oordeelde dat ik maar eens naar de oogarts moest voor een consult. Mijn moeder maakte een afspraak en op een goede dag werd ik onder begeleiding van mijn 1 jaar oudere broertje naar de oogarts op de Versproncklaan in Haarlem gestuurd. Dat was vanaf ons huis op de Delftlaan maar een kleine wandeling. Mijn broer had een briefje met de mededeling dat er eens naar mijn ogen gekeken moest worden. De Versproncklaan is best lang dus was het even zoeken naar het huis van de oogarts. Hoe verder wij liepen hoe statiger werden de huizen en hoe deftiger de bordjes op de deuren. Kijk, hier woont een notaris, zei mijn broer dan. En hier een huisarts! Hier een vrouwenarts en hier een orthodontist! Is dat een oogarts? vroeg ik mijn broer. Ik weet het niet, laten we nog even verder zoeken. Daar woonde weer een huisarts en toen zagen we duidelijk: Oogarts! Dapper belden wij aan. Er deed een vriendelijke vrouw open. Wij vertelden waarvoor wij kwamen en toen mochten we in de wachtkamer zitten tot de dokter ons zou binnenroepen. We keken wat in de krantjes die er lagen, maar al snel mochten we naar binnen. De dokter keek ons achterdochtig aan en bestudeerde het briefje dat moeder ons had meegegeven. Zonder veel omhaal kreeg ik een apparaat op mijn hoofd gedrukt waar de dokter allerlei glaasjes in hing terwijl ik steeds moest proberen de cijfers en letters op het bord te ontcijferen. Toen hij klaar was schreef hij een receptje en stuurde ons weer naar buiten. Opgelucht dat het achter de rug was togen wij weer op huis aan. Moeder stond ons met de armen over elkaar op te wachten (armen over elkaar betekende niet veel goeds), maar wij waren ons van geen kwaad bewust. De oogarts had gebeld! Wij waren niet komen opdagen en zijn tijd was kostbaar! Maar we zijn wel geweest, kijk maar, hier is een briefje van de dokter. Moeder bestudeerde het briefje en schoot in de lach. Jullie zijn naar de verkeerde oogarts geweest. Oef dat was een opluchting. Maar niet voor lang. Er werd ook nog een bezoekje aan de brillenwinkel gebracht. Moeder ging mee en een paar dagen later had ik een brilletje op mijn neus. Wat vervloekte ik dat ding. Binnen een dag bezorgde de steeltjes rauwe plekken op mijn oren en mijn neus begon ook al pijn te doen. Of de klasgenootjes mij met mijn brilletje gepest hebben weet ik niet meer. Maar al snel besloot ik dat ik er van af moest zien te komen. Dus op een goede dag op weg van school naar huis legde ik mijn brilletje stilletjes in het portiek van een willekeurig huis. Snikkend vertelde ik mijn moeder dat ik mijn bril was verloren en hoopte door mijn verdriet te tonen een zekere straf te ontlopen. Inderdaad bleef de straf uit. Maar de volgende dag al toen ik opgewekt uit school kwam melde mijn moeder dat ze naar de politie had gebeld en dat mijn bril was gevonden. Dus volgde nog diezelfde middag een lange wandeling naar het hoofdbureau van politie waar inderdaad mijn brilletje voor mij klaar lag. Het stomme ding was altijd vet, deed steeds pijn en gaf mij een dom uiterlijk. Na een paar maanden had ik het voor elkaar dat ik hem niet meer op hoefde. Hoewel ik meer dan gemiddeld last had van hoofdpijn kreeg ik pas tien jaar later voor de tweede en definitieve keer een bril van de militaire oogarts.
maken. Langzamerhand begonnen we door te krijgen dat alles anders werd dan wij wilden/hoopten. De witte kaarten met stijlvol drukwerk werden verstuurd namens de wederzijdse ouders. Een van mijn zusjes stond er op dat zij de trouwjurk zou maken. Een oom, handelaar in stoffen en kant, zorgde voor het mooiste witte brokaat en de fijnste Brugse kant. Het werd dus een droomjurk, waardoor mijn aanstaande er uitzag als prinses uit een Disneyfilm en ik genoodzaakt werd om bij Tip de Bruin een rokkostuum met hoge hoed te huren. Voor we naar het stadhuis vertrokken kwam de pastoor om nog even de laatste puntjes voor de huwelijksmis door te nemen bij het huis van mijn schoonouders. ‘Waar is de bruid’, vroeg hij monter. Mijn zwager zei: ‘Boven in de slaapkamer – ze wordt nog even genaaid’, want er was iets in ongerede geraakt met de sleep van de bruidsjurk. Vanaf dat moment kan ik mij niet veel meer van de dag herinneren. Maar de foto’s bewijzen dat we door een van mijn zwagers met zijn limousine naar het stadhuis zijn gereden en na het plaatsen van de handtekeningen naar de kerk. De bruid dreigde daar flauw te vallen. Iets wat zij gewoon was in de tijd dat zij nog regelmatig de kerk bezocht. Ik werd ruw weggetrokken toen ik haar naar het Maria-altaar wilde begeleiden, dat was kennelijk iets alleen voor vrouwen. Ze geloven daar echt dat je zwanger kan worden zonder tussenkomst van een man! Daarna werden we meegenomen naar een befaamd restaurant alwaar een enorme bruidstaart moest worden aangesneden en een eindeloze stoet mij volkomen onbekenden, gelardeerd met enkele verloren gewaande vrienden ons kwamen feliciteren al of niet vergezeld met cadeaus, tot we niet meer op onze benen konden staan. Gelukkig verdwenen al die gasten weer en gingen we met de wederzijdse familie aan tafel voor een copieus diner, waarvan ik mij alleen de gestoomde forel, die met een blaadje sla in zijn bek mij gemeen lag aan te staren, kan herinneren. O ja, er werd gespeecht en gezongen en grapjes gemaakt. Er werd gedanst en gelachen, maar wat was ik blij toen ik me met Thérèse in het Fiatje van mijn schoonmoeder, waaraan de noodzakelijke blikjes waren gebonden door de mist uit de voeten kon maken naar het hotelletje dat wij voor die nacht hadden besproken. Bekaf ploften we op het krakende hotelbed en keken elkaar aan: Is dit echt gebeurd?
Hij zou op de fiets gaan. De kleinste in het stoeltje voorop, twee zusjes elk in een fietstas aan de bagagedrager, mijn oudste broer en zus op de aan de fiets vastgebonden slee. Zo gezegd zo gedaan.
