Een brilletje

Door Hans, 27 april 2010

Mensen die mij kennen weten niet beter of ik heb een bril op. Zonder bril kan ik redelijk zien al wordt dat de laatste tijd ook wat minder. Toch voel ik mij beter met en draag hem dus altijd. Maar dat is niet altijd zo geweest. Ik denk dat ik een jaar of acht was (1952) dat mijn moeder bij de schoolarts klaagde dat ik altijd zo zat “te knijpen”. De dokter liet mij wat letters lezen op een bord dat in het kamertje was gehangen en oordeelde dat ik maar eens naar de oogarts moest voor een consult. Mijn moeder maakte een afspraak en op een goede dag werd ik onder begeleiding van mijn 1 jaar oudere broertje naar de oogarts op de Versproncklaan in Haarlem gestuurd. Dat was vanaf ons huis op de Delftlaan maar een kleine wandeling. Mijn broer had een briefje met de mededeling dat er eens naar mijn ogen gekeken moest worden. De Versproncklaan is best lang dus was het even zoeken naar het huis van de oogarts. Hoe verder wij liepen hoe statiger werden de huizen en hoe deftiger de bordjes op de deuren. Kijk, hier woont een notaris, zei mijn broer dan. En hier een huisarts! Hier een vrouwenarts en hier een orthodontist! Is dat een oogarts? vroeg ik mijn broer. Ik weet het niet, laten we nog even verder zoeken. Daar woonde weer een huisarts en toen zagen we duidelijk: Oogarts! Dapper belden wij aan. Er deed een vriendelijke vrouw open. Wij vertelden waarvoor wij kwamen en toen mochten we in de wachtkamer zitten tot de dokter ons zou binnenroepen. We keken wat in de krantjes die er lagen, maar al snel mochten we naar binnen. De dokter keek ons achterdochtig aan en bestudeerde het briefje dat moeder ons had meegegeven. Zonder veel omhaal kreeg ik een apparaat op mijn hoofd gedrukt waar de dokter allerlei glaasjes in hing terwijl ik steeds moest proberen de cijfers en letters op het bord te ontcijferen. Toen hij klaar was schreef hij een receptje en stuurde ons weer naar buiten. Opgelucht dat het achter de rug was togen wij weer op huis aan. Moeder stond ons met de armen over elkaar op te wachten (armen over elkaar betekende niet veel goeds), maar wij waren ons van geen kwaad bewust. De oogarts had gebeld! Wij waren niet komen opdagen en zijn tijd was kostbaar! Maar we zijn wel geweest, kijk maar, hier is een briefje van de dokter. Moeder bestudeerde het briefje en schoot in de lach. Jullie zijn naar de verkeerde oogarts geweest. Oef dat was een opluchting. Maar niet voor lang. Er werd ook nog een bezoekje aan de brillenwinkel gebracht. Moeder ging mee en een paar dagen later had ik een brilletje op mijn neus. Wat vervloekte ik dat ding. Binnen een dag bezorgde de steeltjes rauwe plekken op mijn oren en mijn neus begon ook al pijn te doen. Of de klasgenootjes mij met mijn brilletje gepest hebben weet ik niet meer. Maar al snel besloot ik dat ik er van af moest zien te komen. Dus op een goede dag op weg van school naar huis legde ik mijn brilletje stilletjes in het portiek van een willekeurig huis. Snikkend vertelde ik mijn moeder dat ik mijn bril was verloren en hoopte door mijn verdriet te tonen een zekere straf te ontlopen. Inderdaad bleef de straf uit. Maar de volgende dag al toen ik opgewekt uit school kwam melde mijn moeder dat ze naar de politie had gebeld en dat mijn bril was gevonden. Dus volgde nog diezelfde middag een lange wandeling naar het hoofdbureau van politie waar inderdaad mijn brilletje voor mij klaar lag. Het stomme ding was altijd vet, deed steeds pijn en gaf mij een dom uiterlijk. Na een paar maanden had ik het voor elkaar dat ik hem niet meer op hoefde. Hoewel ik meer dan gemiddeld last had van hoofdpijn kreeg ik pas tien jaar later voor de tweede en definitieve keer een bril van de militaire oogarts.

Unsquare Dance

Door Hans, 4 april 2010

Generaties hebben de gewoonte om elkaar op te volgen. Toch is het opvallend tot hoeveel verschillende generaties ik mij inmiddels kan rekenen. Hoewel nog net in de oorlog geboren (oorlogskinderen), beschouw ik mij toch meer bij de baby-boomers. De opkomst van Bill Haley en Elvis Presley maakte dat ik als puber hoorde bij de rock ’n roll-generatie hoewel ik ook best tot de beat-generatie gerekend kan worden. Sinds kort hoor ik bij het grijze leger waarvoor onze kinderen moeten opdraaien. Daarom kijk ik stiekem mee als Thérèse een film van Sisi draait en schiet ik weer vol bij “The Sound Of Music”. De laatste dagen betrap ik mij er op dat ik in de gang van de school de melodie van “Do, a deer, a female deer”, loop te fluiten. Nou ja…… Dat doet mij denken aan hoe wij, ik en mijn vriendjes, begin jaren zestig door de Kerkstraat in Hilversum flaneerden. We droegen zwarte broeken met strakke pijpen, schoenen met lange punten, een zwarte jopper en hadden flink wat Brylcreem (Brilcream) in de haren om de slierten op de juiste plek te laten hangen. Met onze vingers knipten we het ritme van de Unsquare Dance van Dave Brubeck en daarbij neurieden we dan de melodie. Maar het stukje muziek, dat toen razend populair was, heeft een zevenkwarts maat en als ik het terugluister bij dit YouTube filmpje lukt het me niet om het goede ritme te pakken te krijgen. Dus ik vrees dat het destijds ook niet zo strak geklonken zal hebben als dat ik het mij herinner.

Vakantiekolonie

Door Hans, 23 maart 2010

Egmond aan Zee

Nadat ik de herinnering van Els aan haar kuren in Katwijk had gelezen, kwamen bij mij soortgelijke herinneringen boven.

Ik zal een jaar of zes zijn geweest, dat de schoolarts het raadzaam had gevonden om mij en mijn anderhalf jaar oudere broertje naar een vakantiekolonie te sturen, om ”aan te sterken”. Mijn moeder die het wel een prettig idee vond om een poosje wat ‘lucht’ te hebben in het grote gezin ging natuurlijk maar wat graag akkoord. En dus bracht moeder ons op een zonnige dag naar Egmond Aan Zee. Vanuit Haarlem gingen we met de elektrische trein naar Alkmaar en vandaar met de stoomtrein naar Egmond. Daarna was het nog een stukje lopen naar het statige gebouw boven op een duin omringd door bossen. We werden ontvangen door de vriendelijkste non die ze daar in huis hadden. Moeder kreeg een kopje thee en wij mochten in de tuin gaan kijken waar de andere kinderen aan het spelen waren. Toen we terugkwamen was moeder weg en werden we meegevoerd naar de slaapzaal. Daar moesten we ons koffertje uitpakken en alles op het bed uitstallen. Een heel strenge non keurde onze waren en na enig geknor beval ze ons de spullen in een kastje onder het bed te stapelen. Daarna moesten wij ons aansluiten bij de ‘blote billen parade’. Dit was een wekelijks terugkerend ritueel. De kinderen moesten de kleren uittrekken en liepen in een lange rij langs diverse nonnen die onze lengte en omvang maten, wogen en onderzochten op ‘ongerief’. Op een gegeven ogenblik kreeg je een scheut Lysol over je kop, dat gemeen brandde als het in je ogen kwam, en dan begon een zuster met een pietenkam aan je haren te rukken tot de tranen uit je ogen biggelden en zo de Lysol weer wegspoelde. Tot slot kwam je bij een zuster, die met een naald een prikje in je vinger gaf, er een druppel bloed uitperste en afstreek op een kartonnetje .

Oh, het was allemaal zo goed geregeld.

Nadat we weer aangekleed waren mochten we buiten spelen. Daar heb ik wel hele mooie herinneringen aan. Zo maakten we langs de steile wand van een duinpan een soort roetsj banen. Een gootje in het zand waardoorheen een tennisbal prachtig naar beneden kon rollen. Sommige kinderen hadden in hun baan zelfs tunnels, waardoor het extra spannend werd. In mijn herinnering lopen de dagen danig door elkaar, want we hebben er wel twee maanden gezeten. Er waren heel plezierige dagen en heel verdrietige dagen maar alle zijn mij bijgebleven. Het maken van een boomhut in het bos. De ontdekking van een mijn op het strand (wat tot enige paniek bij de leiding leidde). De vondst van een reuzenschelp (achteraf denk ik dat het gewoon een eendenmossel is geweest) die er heel kwetsbaar uitzag en prachtige kleuren had. Voorzichtig had ik die naar het huis gedragen en vol trots aan de zuster laten zien. Zij vond hem ook prachtig en nam hem dankbaar in ontvangst om hem in de vitrine op te bergen. “Inpikken” noemde mijn broertje dat verontwaardigd.

Het middagslaapje was ook zo’n ritueel dat mij helder voor ogen staat. Onder een afdak op de veranda stonden rijen met veldbedden. Daarop moesten we gaan liggen, allen met het gezicht naar dezelfde kant, want communicatie was uit den boze. Maar er was altijd wel iemand die een geweldige scheet liet of een ander vermakelijk geluid produceerde. De snerpende stem van de dienstdoende non bracht dan weer rust in de tent, maar onder je paardendeken bleef je nog lang grinniken.

En dan het eten. De meesten van ons waren min of meer ondervoed. Maar toch heb ik nooit meer, zelfs niet in militaire dienst, zoveel gemopper op het eten gehoord. Bij het ontbijt was de pap: ‘behangselplak’, de boterhammen: ‘uitgedroogde plankies’ en de melk: ‘zure-geitemelk-met-klonten’. Maar echt een trauma heb ik opgelopen bij het avondeten. De kinderen zaten in rijen aan lange tafels. De zusters kwamen dan langs om op te scheppen. Eerst kwam een non die een schep aardappelpuree op je bord kwakte. De volgende deed hetzelfde met de groente. Dan kwam er een met  ei of gehaktbal  en tot slot  kwam er een met een grote pan waaruit een plas jus over het geheel werd gegoten. Die dag was de groente andijvie. Tot dan toe had ik niks tegen andijvie. Maar mijn broertje die naast mij zat haalde met een vies gezicht een grote groene rups uit zijn groenteprut en legde die naast mijn bord op tafel. Vol walging bekeek ik de halfgare larve. Op dat moment kwam de zuster van de jus. Zij zette, om even een ruzie tussen twee kinderen te beslechten, de pan op tafel, bovenop de rups. Wij zeiden niets tegen elkaar, maar toen de pan weer werd weggehaald lag er een grote groene vlek naast onze borden. Ik ben er heel misselijk van geworden, tot diep in de nacht. Nog steeds (zestig jaar later) kan ik geen hap andijvie door mijn keel krijgen.

Van de reis terug naar Haarlem kan ik mij herinneren dat we die per bus maakten. Mijn moeder praatte onderweg honderd uit met ene mevrouw Baard (onthouden door de grappige naam en omdat haar man directeur was van het Frans Hals museum). Het thuiskomen was ook heel vreemd. Ons huis zag er van binnen opeens heel anders uit. Het was ruimer dan ik mij kon herinneren en het was ook lichter, vrolijker. Trouwens van dat aansterken is helemaal niets terecht gekomen want toen wij werden opgehaald stond in het begeleidend briefje: Toegenomen gewicht: Nihil.

De mooiste dag uit je leven

Door Hans, 24 februari 2010

Men zegt dat de trouwdag de mooiste dag van je leven is. Als ik de bladen en de folders mag geloven zullen de meeste stellen tegenwoordig kosten nog moeite sparen om in ieder geval te bereiken dat het zo niet de duurste dan toch de drukste dag van hun leven wordt. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw wel anders. Tot die tijd voltrok de trouwdag zich volgens strikt vastgestelde rituelen. De organisatie van de feestelijkheden lag in handen van de ouders van de bruid. Zij regelden de kaarten en bepaalden de tekst voor zover er iets te bepalen was (De wederzijdse ouders van —– en —– geven kennis van het voorgenomen huwelijk enz.). Zij regelden de trouwauto’s, de receptie en het diner, eventueel met bal na. Het stel mocht nog wel aangeven welke vrienden en vriendinnen er eventueel werden uitgenodigd. Misschien had de bruid ook nog iets te zeggen over de jurk die ze zou dragen en de bruidegom werd geacht zelf een smoking of rok te huren, na geheim overleg met de moeder van de bruid. Dat overleg diende ook om hints te geven aan de bruidegom omtrent het door hem aan te leveren bruidsboeket. Wel diende het aanstaande bruidspaar zelf aangifte te doen bij het bureau van de burgerlijke stand. En werden zij bij de dominee of pastoor ontboden om afspraken te maken over de ‘kerkelijke inzegening’ van dit huwelijk, anders kon er van een huwelijksnacht geen sprake zijn. Toen wij trouwden in 1968 dachten wij daar heel anders over. Het leek ons leuk om zelf kaartjes te schrijven eventueel versierd met een eigen houtsnede. Wij wilden feestelijk uitgedost in vrolijke kleuren per gehuurde 2CV naar het stadhuis rijden om, na de noodzakelijke plichtplegingen, met alle familie en vrienden neer te strijken in een beruchte Bredase kroeg, waar het nog lang onrustig en heel gezellig zou worden. Toen wij trouwden in 1968 dachten wij daar dus heel anders over, maar de wederzijdse ouders allerminst. Ter wille van de lieve vrede hebben we ons destijds maar geschikt. En het moet gezegd dat de beide families zich danig hebben uitgesloofd om het tot een onvergetelijke dag te maken. Langzamerhand begonnen we door te krijgen dat alles anders werd dan wij wilden/hoopten. De witte kaarten met stijlvol drukwerk werden verstuurd namens de wederzijdse ouders. Een van mijn zusjes stond er op dat zij de trouwjurk zou maken. Een oom, handelaar in stoffen en kant, zorgde voor het mooiste witte brokaat en de fijnste Brugse kant. Het werd dus een droomjurk, waardoor mijn aanstaande er uitzag als prinses uit een Disneyfilm en ik genoodzaakt werd om bij Tip de Bruin een rokkostuum met hoge hoed te huren. Voor we naar het stadhuis vertrokken kwam de pastoor om nog even de laatste puntjes voor de huwelijksmis door te nemen bij het huis van mijn schoonouders. ‘Waar is de bruid’, vroeg hij monter. Mijn zwager zei: ‘Boven in de slaapkamer – ze wordt nog even genaaid’, want er was iets in ongerede geraakt met de sleep van de bruidsjurk. Vanaf dat moment kan ik mij niet veel meer van de dag herinneren. Maar de foto’s bewijzen dat we door een van mijn zwagers met zijn limousine naar het stadhuis zijn gereden en na het plaatsen van de handtekeningen naar de kerk. De bruid dreigde daar flauw te vallen. Iets wat zij gewoon was in de tijd dat zij nog regelmatig de kerk bezocht. Ik werd ruw weggetrokken toen ik haar naar het Maria-altaar wilde begeleiden, dat was kennelijk iets alleen voor vrouwen. Ze geloven daar echt dat je zwanger kan worden zonder tussenkomst van een man! Daarna werden we meegenomen naar een befaamd restaurant alwaar een enorme bruidstaart moest worden aangesneden en een eindeloze stoet mij volkomen onbekenden, gelardeerd met enkele verloren gewaande vrienden ons kwamen feliciteren al of niet vergezeld met cadeaus, tot we niet meer op onze benen konden staan. Gelukkig verdwenen al die gasten weer en gingen we met de wederzijdse familie aan tafel voor een copieus diner, waarvan ik mij alleen de gestoomde forel, die met een blaadje sla in zijn bek mij gemeen lag aan te staren, kan herinneren. O ja, er werd gespeecht en gezongen en grapjes gemaakt. Er werd gedanst en gelachen, maar wat was ik blij toen ik me met Thérèse in het Fiatje van mijn schoonmoeder, waaraan de noodzakelijke blikjes waren gebonden door de mist uit de voeten kon maken naar het hotelletje dat wij voor die nacht hadden besproken. Bekaf ploften we op het krakende hotelbed en keken elkaar aan: Is dit echt gebeurd?
We zijn nu bijna 42 jaar getrouwd en hebben heel wat dagen samen beleefd waarvan we zeiden: “Dit is de mooiste dag van ons leven”, maar die trouwdag ……… onvergetelijk …….. dat wel.

Buitenspelen

Door Hans, 14 februari 2010

“Ga maar lekker buitenspelen”, was een veel gehoorde kreet bij ons thuis. Mijn moeder had elf kinderen en als er een aantal buiten waren gaf dat wat rust en ruimte in die eengezinswoning in Haarlem-Noord. Buitenspelen in die tijd bestond vaak uit het heen en weer steppen op de stoep. Soms was het knikkertijd, of hoepeltijd of moest er getold worden met een priktol. Een van mijn zusjes was een kei met de zweeptol, maar dat ging mij niet al te goed af. Bij mij vloog de tol vaak een onbedoelde kant op zodat de ruiten van het ouderlijk huis of dat van de buren groot gevaar liepen te sneuvelen. Hinkelen was meer voor meisjes, touwtjespringen ook. Voetballen was weer niets voor mijn zusjes en je had daarvoor eigenlijk ook wat meer ruimte nodig dan op de stoep voor ons huis beschikbaar was. Mijn vriendje Peter woonde in de Laurierstraat. Dat lag wat meer binnen in de wijk en was nog bijna helemaal autovrij. Daar was in die tijd ook nog geen elektrische straatverlichting. Als het donker werd kwam de lantarenaansteker met een laddertje die hij tegen de lantarenpaal zette. Het glas oplichtte het gaskraantje opendraaide en eventueel het kousje verving om vervolgen het licht te ontbranden. Ik las laatst dat het zo bleef tot 1960 of zo. Hoe dan ook bij Peter in de straat was het helemaal heerlijk spelen. Zo deden we er pinkelen. Een spel met een stukje hout die aan twee kanten aangepunt was, het pinkeltje. Dan had je een stok en daarmee moest je op het puntje van het pinkeltje slaan, waardoor het pinkeltje omhoog sprong. Vanuit de lucht moest je hem dan wegslaan en de andere kinderen moesten die dan zien te vangen. Enfin de finesses van het spel vond ik onlangs terug op dit weblog , maar ik zie mij nog languit op de klinkers liggen, midden op straat, want je moest tijdens het slaan contact houden met het putdeksel dat als buutplaats dienst deed.
Op een dag dat we weer gingen buiten spelen, had mijn broer een parachute gemaakt. Aan de vier punten van een zakdoek had hij een touwtje bevestigd en die samengeknoopt aan een steentje. Als hij die liet vallen vouwde de zakdoek zich soms open en dwarrelde naar beneden. Om de pret wat te rekken wierp hij de zakdoek omhoog om zo een wat langere afdaling te hebben. “Je moet de zakdoek goed opvouwen, zodat je hem hoger kan gooien”, stelde ik voor. Mijn broer wikkelde de touwtjes om de opgevouwen zakdoek en gooide die zo hoog als hij kon. Verhip, de zakdoek bleef steken in een van de bomen voor ons huis. Het was een goede parachute (zakdoek), dus moest ie terug. Eerst gooiden we met een stok naar de zakdoek. Maar opeens bleef de stok eveneens in de takken van de boom hangen. Goede raad was duur. De boom was te dun en had geen lage zijtakken, zodat erin klimmen geen optie was. Daar vond mijn broer een losse baksteen, waarmee je prima kon gooien. Eerst gooide mijn broer. Mis. De steen werd opgehaald en nogmaals gooide hij. Weer mis. Ik haalde de steen op en nu mocht ik gooien. Ook mis. Weer werd de steen opgehaald. “Als jij nu aan de andere kant van de boom gaat staan, dan hoeven we niet steeds de steen op te halen”, stelde mijn broer voor. Hij had kennelijk de verwachting dat het nog heel lang mis zou gaan.
Nog zie ik als in een vertraagde film de baksteen door de takken van de boom breken en met een ongelooflijke precisie naar mijn neus zeilen. BAM –AU –Boeoeoehoeoe – MAMA!!!!!.
Mijn eerste bloedneus en geen zakdoek bij de hand.

Kinderleed, dieren mishandeling en leugens

Door Hans, 23 januari 2010

Ik deed mijn Eerste Heilige Communie. Dat is een Rooms Katholieke ceremonie waarbij een zevenjarige wordt toegestaan deel te nemen aan de eredienst in de kerk. Daar ging een hele periode van leren, oefenen en andere zenuwachtig makende rituelen aan vooraf. Het meeste gebeurde op school, daar hadden ze, denk ik, thuis geen weet van. Maar toen de dag van de plechtigheid naderde, kwam men thuis ook in actie. Mijn moeder begon met mij de maat te nemen, letterlijk, want zij ging voor mij nieuwe kleren maken. Dat werd zoals gebruikelijk voor die tijd een soort matrozenpakje. Omdat het daar niet erg op leek, noemde mijn moeder het een jonker pakje. Het was een zwartfluwelen korte broek met galgjes over een wit ‘satijnen’ bloes met een flamboyante kraag en roesjes aan de mouwen. Ook werd ik meegenomen naar de Bata (Batja zei mijn vader altijd om een of andere reden). Daar in die schoenenwinkel kreeg ik prachtige zwarte lakschoentjes. ‘Op-de-groei’ gekocht, net iets te groot dus. Maar ik vond ze prachtig. Trots als een pauw heb ik alle rituelen doorstaan. ’s Middags kwam er bezoek en ik kreeg cadeautjes, alsof ik jarig was. Hoewel de presentjes wat eenzijdig waren: wijwatervat, rozenkrans, een kerkboekje met mooie plaatjes. Maar het mooiste was een plak schuinsafgezaagde berkenstam met een afbeelding er opgeplakt. Het stelde de grot van Lourdes voor, met daarin de Heilige Maria ten voeten uit. Haar lichtblauwe jurk werd op wonderbaarlijke wijze roze als je er op ademde.
Toen nu het bezoek verdwenen was mochten we nog even buiten spelen. Ons huis lag aan een ventweg. De autoweg was in die tijd nog zo rustig, dat je die gemakkelijk kon oversteken om aan de overkant te spelen op een strook gras die langs de waterkant liep. We gingen daar vaak madeliefjes plukken om die tot kransen te verwerken. Die droegen we op ons hoofd of hals terwijl wij een soort lentedansje opvoerden. Met een bal spelen was daar wat lastig omdat het grasveldje naar het water afliep, zodat de bal iedere keer het water inrolde. Ik weet niet meer wat ik die dag precies aan het doen was, maar plotseling zag ik een kikker in het gras zitten. Die hoorde daar niet vond ik. Die moest in de sloot. Ik gaf de kikker een schop om hem op weg te helpen, maar omdat mijn schoen één maat te groot was vloog die met een keurige boog achter de kikker aan de sloot in. Nog een paar luchtbelletjes in de kringvormige rimpeling en weg was mijn schoen, diep in het zwarte water. Mijn verdriet was groot, maar ik besefte dat het de straf van God was, want mij was geleerd respect te hebben voor de dieren en schoppen van kikkers viel daar niet onder. Thuis zei ik dat ik een steentje had willen schoppen, want ik wilde het verlies van de schoen niet nog erger maken. Al had ik op de catechismusles wel geleerd dat jokken een erge zonde was, weliswaar geen doodzonde maar een dagelijkse zonde. Door mij dus dagelijks bedreven.
Ik geloof niet dat ik straf heb gekregen, maar ’s avonds in bed heb ik gehuild om het verlies en om mijn verdorven gedrag.

1963 een barre tocht

Door Hans, 11 januari 2010

Nee, ik ga het nu niet hebben over de Elfstedentocht die dat jaar werd verreden en waarover onlangs een speelfilm is gemaakt. Die winter ging ik met mijn broer vanuit het ouderlijk huis in Hilversum naar Steensel in Noord-Brabant. Een van de “acht zaligheden”, god betert. Mijn broer en ik waren in die tijd verliefd geworden op twee Hilversumse zusjes. Ik bedoel natuurlijk, ieder op een van de twee. Maar de meisjes verhuisden met hun ouders naar dat gat in de Brabantse Kempen. Het zal er prachtig geweest zijn. Het huis lag midden in de bossen. Maar ik heb er niet van kunnen genieten, want die winter van ’63 was de eerste en laatste keer dat ik er geweest ben. Het vroor een graad of 15 en er lag een dik pak sneeuw. Mijn broer, die een jaar ouder is dan ik, had pas zijn rijbewijs. Daarom had vader ons voor de gelegenheid een VW-busje van de zaak geleend. Van de heenreis kan ik mij niet zoveel meer herinneren. Ik was waarschijnlijk vol van verlangen om mijn lieve meisje te gaan zien. Maar het verblijf daar in dat kille oord des te meer. Het nieuw gebouwde huis was een ultra moderne bungalow, met veel glas (thermopane bestond nog niet geloof ik), schoon metselwerk, (nog vochtig van de bouw) en helaas nog geen centrale verwarming. Wel herinner ik mij een schouw met open haard. Maar er was nog geen hout ingeslagen. De moeder was wat hout gaan sprokkelen, zodat er aan het eind van de middag toch een schamel vuurtje brandde, waar we met z’n allen zowat in kropen. Gezellig! Hoor ik u denken. Maar ik was aan het rillen geslagen (ik was destijds broodmager en woog amper 45 kg – nu ruim het dubbele). Dat rillen hield niet meer op. Ook niet nadat we de soep en het brood op hadden. We deden nog een spelletje en gingen ons opmaken om te gaan slapen. Bedden waren er nog niet maar wel een paar slaapzakken, die op de stijf bevroren betonvloer van de logeerkamer waren uitgespreid voor mijn broer en mij. Ik geloof niet dat ik geslapen heb. In ieder geval was mijn humeur niet al te zonnig toen we “gewekt” werden voor het ontbijt. Dat was gelukkig vroeg in de ochtend, want de meisjes zouden met ons mee terugreizen naar Hilversum voor een familiebezoek aldaar. Nu denk ik dat het was omdat ze bij de familie moesten gaan opwarmen. Hoe dan ook we gingen terug naar huis. Het was weer flink gaan sneeuwen, maar nog langer daar blijven zagen we niet zitten. Omdat de cabine maar drie zitplaatsen had moest een van ons in de laadruimte zitten. En dat was ik, want ik had geen rijbewijs en dames gaan voor was mij geleerd. Achterin was de motorkap en daarop lag gelukkig een stapel jute zakken, maar helaas geen verwarming (misschien deed ie het voorin ook niet). Het was de meest barre tocht die ik ooit heb meegemaakt. De A2 was al wel een vierbaans weg maar door de sneeuw was maar één rijstrook in onze richting beschikbaar. Nou beschikbaar is een groot woord. Ik zie nog de twee platgereden wielsporen door die eindeloze witte vlakte. Ik had grote bewondering voor mijn broer die het busje zo keurig in het spoor kon houden. Op een gegeven ogenblik ging de sneeuw over in nevel, dat maakte het nog spookachtiger. Opeens hield de weg op. Nee, dat was maar schijn. We hadden de rotonde bij Oudenrijn bereikt. Alle verkeersborden en richtingaanwijzers waren door de sneeuw bedekt en onleesbaar. Hoe mijn broer de weg terug gevonden heeft weet ik niet, maar we zijn thuisgekomen. Ook was de liefde inmiddels flink bekoeld, want niet lang daarna hebben we het uitgemaakt.
Acht zaligheden, laat me niet lachen.

Hilarische anekdote

Door Hans, 21 december 2009

Sommige herinneringen werken zodanig op de lachspieren dat ze alleen daarom steeds doorverteld worden. Het volgende verhaal is echter in essentie zo droevig dat het daardoor aan nostalgie grenst.
Het speelt zich af ergens in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. In de krant stond de aankondiging dat een beroemd poppentheater in onze woonplaats Haarlem een voorstelling gaf van het Kerstverhaal. Mijn vader las het voor en zijn suggestie om er met z’n allen heen te gaan werd met gejuich ontvangen. Mijn moeder zou echter niet mee kunnen. Zij was hoog zwanger van haar negende kindje en bood dus aan om op de drie kleintjes te letten. Dus zou alleen mijn vader met de vijf oudsten gaan. Zoals zo vaak in december van mijn jeugd sneeuwde het behoorlijk. Een auto waren we nog niet rijk, maar mijn vader had overal een oplossing voor. Dus ook voor het vervoersprobleem.
Hij zou op de fiets gaan. De kleinste in het stoeltje voorop, twee zusjes elk in een fietstas aan de bagagedrager, mijn oudste broer en zus op de aan de fiets vastgebonden slee. Zo gezegd zo gedaan.
Al snel kreeg mijn vader in de gaten dat snelheid maken door de rulle sneeuw met een slee erachter niet te doen was. Dus kreeg mijn zus de opdracht de slee aan te duwen. Als de fiets voldoende snelheid had zou mijn vader: JA!!! roepen. Op dat moment kon zus op de slee springen. De fiets zette zich inderdaad nu in beweging en mijn vader perste er een krachtig “JA” uit. Mijn zus sprong en BOEM!!!. De zaak kwam tot stilstand en zwiepte in één beweging tegen de grond. Het was bijna Kerstmis dus er klonk geen gevloek, geen gehuil en al helemaal geen gelach. Alleen mijn zusje Eefje hoorde je vanuit de onderste fietstas zeggen tegen het zusje in de andere tas: ‘Noor, ga er nou ah-af’.
Het poppentheater hebben we niet bereikt. De teleurstelling was groot. Mijn vader voelde dat hij had gefaald en heeft nog dagen uit het voorkamerraam naar de sneeuw in de straat staan staren, zich afvragend waar het was foutgegaan.

Panorama Theme by Themocracy