Kuren in Katwijk

Door Els, 5 maart 2010

Ik was drie jaar toen ik naar Katwijk ging om daar in de frisse zeelucht te genezen van TBC. Veel is dus zeer wazig. Maar dit herinner ik me nog wel.
Elsje Fiederelsje
Mama bracht me we, in een taxi. De rit leek eindeloos te duren en dat zei ik ook. Mijn moeder zei me dat het voor mijn eigen bestwil was. Thuis, waar ik al drie maanden “gekuurd” had, zou ik niet beter worden. De zeelucht en veel buiten zijn, daarvan zou ik opknappen. Van het afscheid weet ik alleen nog dat mijn moeder huilde. Maar nadat ze weg was, voelde ik me al snel thuis in het zeehospitium. en dacht ik er niet eens meer over na dat ik zo ver weg was. Ach kinderen zijn flexibeler dan volwassenen denken.

En er mochten daar dingen die thuis absoluut verboden waren. Zoals een teil zand in je bed, om lekker mee te spelen. Je mocht knippen, kleuren, knutselen.
En er was altijd wel iemand om mee te keten, want we lagen met zes (of acht??) andere kinderen op zaal. We vonden altijd wel iets geks te doen. Goed, je moest je eerst los wurmen, want je zat in bed vastgebonden. Maar had je dat voor elkaar gebracht, dan kon je de grote spinnen pakken en ze de poten uittrekken. Een voor één, die dan op je laken bleven bewegen. Nu onbegrijpelijk, maar we vonden het toen het toppunt van lol.

En natuurlijk probeerde we de verpleegsters uit. Sommige waren niet kwaad te krijgen, maar anderen… En dan verzin je heel gekke dingen.

Naast mij lag Theo. We waren dikke maatjes, al konden we elkaar niet aanraken, zo ver stonden de bedden uit elkaar. Maar samen kattenkwaad beramen, ja dat konden we natuurlijk wel.

Op een avond, het eten stond net klaar op ons nachtkastje, fluisterde hij: “Elsje, Elsje…” “Ja, wat is er?” fluisterde ik terug. “Ik heb helemaal geen honger.” “Nee, ik ook niet!” Dat was niet zo raar, want eten was een terugkerend probleem. Geen trek, niets lusten, onsmakelijke maaltijden. En stuk voor stuk waren we lastige etertjes. In mijn herinnering waren alle kinderen daar dan ook broodmager en naar de trend van die tijd moest je juist een beetje mollig zijn. Dat was pas gezond. Dus graag een beetje doorhappen….en altijd bordje leegeten.

Goed, Theootje had dus geen trek. Hij trok een vies gezicht. “Ik geloof dat ik er een beetje misselijk van wordt. Dan moet ik zo meteen spugen” fluisterde hij samenzweerderig. Ik zag het voor me en meteen sloeg ook een golf onpasselijkheid door mij heen. “Oh, ik ben ook een beetje misselijk.”

Om een lang verhaal kort te maken, we hebben elkaar die avond zo op zitten stoken, dat we allebei de hele boel onder spuugden. Wat het effect op de andere kinderen op de zaal was, weet ik niet meer. Maar wie er voor moest opdraaien: ja, de verpleegster natuurlijk. En die vond dat niet leuk.

Ze begreep wel dat het allemaal opzet was en wilde ons streng straffen. Nou hing er aan ons bed een kaart, met daarop je medische toestand. Als je er slecht aan toe was stond op die kaart een grote D. A was het beste en dan verkeerde je al in het stadium dat er over naar huis gaan werd gepraat. Die avond werd de A van Theo en mij veranderd in een dikke D. Zo zou ze ons wel eens even een lesje leren. Maar ja, wat heeft dat voor effect op een kind van drie, die nog geen A van een D kon onderscheiden?

Dat konden mijn ouders natuurlijk wel. En die schrokken zich een ongeluk toen ze op bezoek kwamen. Na een pittig gesprek met de hoofdzuster werd alles weer recht getrokken en prijkte er weer een A op mijn kaart. Maar telkens als mijn moeder er aan terugdacht, voelde ze weer de schrik in haar benen.

(eerder geplaatst 23 februari 2010 op knutzels.nl)

Sojasaus

Door Els, 11 februari 2010

In 1997 gingen Leo en ik voor het eerst naar China.
Dit is een herinnering aan onze eerste dag in Sjanghai.

Meteen als we het vliegveld van Shanghai verlaten, overvalt me de volkomen tegenstelling met wat ik verwachtte te zien. De wegen zijn ruim, vol met auto’s en lage huizen zie je niet. Wel flats, de een nog hoger dan de andere. Het enige waarin deze stad, zo op het eerste gezicht, verschilt met een westerse stad zijn de reclameborden langs de weg. De opschriften zijn niet te lezen voor ons, alhoewel ook daar de westerse reclames intussen oprukken. Volop Coca Cola, Pepsi en andere bekende merken. Ik voel me teleurgesteld. Daarvoor ging ik niet naar China. Ik had gedacht typische oosterse huizen aan te treffen. Toch realiseer ik me dat dit het China van nu is. Snel veranderend en op weg naar de 21e eeuw. Ik vraag me af of we eigenlijk toch nog te laat zijn? Zullen we nog wel iets van het oude China aantreffen? Maar goed, we zijn moe van de reis en moeten duidelijk even acclimatiseren. Ik laat het allemaal maar op me af komen.

De bus zoekt intussen zijn weg door het drukke verkeer, waar nauwelijks regels te ontdekken zijn. Alles rijdt kriskras door elkaar en de chaos lijkt enorm.

In het hotel wacht me alweer een teleurstelling. Of nou ja teleurstelling. Ik had een heel ander hotel verwacht. Kleiner, authentieker, viezer misschien wel. Maar gelukkig is het schoon, zeer schoon zelfs en van een bijna overdadige luxe. De kamer is ruim, voorzien van radio, tv en een zitje. In de badkamer hangen badjassen, er staan slippers en een hele schaal met zeepjes, kammen, tandpasta en badschuim. We frissen ons even op en komen even later op de kamer van de reisleidster bij elkaar om het programma door te nemen. En dan kunnen we er op uit.

Bij de receptie nemen we een kaartje van het hotel mee, zodat we in ieder geval een adres in het Chinees bij ons hebben. We lopen naar de metro en storten ons blindweg in het gedrang. Telkens knijp ik Leo in zijn arm. “We lopen in China”, zeg ik en voel me alsof ik droom.

Omdat we heg noch steg weten, stappen we zomaar ergens uit en lopen op goed geluk een straat in. Zonder het af te spreken besluiten we de westerse winkelstraten te mijden en te zoeken naar typisch Chinese dingen. En dan blijkt dit toch wel een geheel andere wereld te zijn. Overal zie je kleine motorfietsjes, die met enorm kabaal hun weg banen tussen het verkeer. Weer valt me het gebrek aan regels op. Iedereen fietst, rijdt of loopt om elkaar heen. Dikke rijen fietsers staan voor stoplichten met hele files taxi´s ernaast. Oversteken lijkt een zelfmoordpoging, maar na een paar keer blijkt dat je gewoon heel rustig door moet lopen. Men ontwijkt je wel. Het vergt enige moed en we houden elkaar stevig vast. En dat ontlokt dan weer lachende blikken van Chinezen die ons onbeschaamd aanstaren.

Intussen zijn we een winkelstraatje ingelopen, dat er veel minder gelikt uitziet. Dit lijkt meer onze voorstelling van China en we kijken onze ogen uit. Ik ontdek een soort fabriekje, waar iets van saus gemaakt wordt. Nieuwsgierig kijk ik naar binnen. Het ruikt er vreemd en ik kan niet ontdekken wat er nou precies gemaakt wordt. Op de stoep zit een oud vrouwtje, dat meteen opstaat en naar me toe komt. Ze begint een heel verhaal, waar ik natuurlijk geen woord van begrijp. Zij verstaat echter geen woord Engels, dus zullen we met handen en voeten moeten praten. Maar ik heb gelukkig een klein Engels-Chinees woordenboekje. Moeizaam zoek ik op wat ik wil vragen. Ondertussen blijft ze maar doorpraten, steeds harder alsof dat helpen zou. Dan kijkt ze naar het symbool voor “sojasaus”, dat ik na veel zoeken uiteindelijk heb gevonden. Ze schudt haar hoofd en kijkt meewarig om zoveel domheid. Nee, nee, dat is het niet. Ze pakt m’n hand, schrijft er iets in en wijst op de machine. Dat is het. Dan wijst ze naar het boekje en schrijft weer een symbool in mijn hand. Een driftig vingertje maakt me duidelijk dat het dus helemaal geen sojasaus is die gemaakt wordt. Haar ogen vragen of ik het nou wel goed begrepen heb. Ik lach en knik. Ik heb het begrepen en ze is blij dat ze mij dat duidelijk heeft kunnen maken. Toch weet ik nog steeds niet wat er nou gefabriceerd werd. Saus? Smeerolie? Of stroop misschien?. Maar het vrouwtje kijkt triomfantelijk naar de omstanders, die zich al snel om ons heen hebben verzameld. Dat heeft ze toch maar eens keurig voor elkaar gebracht. We nemen glimlachend en diep buigend afscheid.

(eerder geplaatst 26 januari 2010 op knutzels.nl)

Schoenen

Door Els, 21 januari 2010

Al vier keer was ik er langs gelopen, van huis naar school en weer terug. Ik had er zelfs een tram voor laten lopen, omdat ik toch nog even wilde kijken. En ze stonden er nog steeds. Bronsgroene schoenen, met een spits neusje en kittige queeniehakjes. Niet te hoog, niet te breed, zacht glanzend leer. Helemaal volgens de laatste mode. En de prijs, nou ja, dat was niet niks, maar toch ook weer niet zo schreeuwend duur, dacht ik.
Helemaal in de gloria kwam ik thuis. “Mam, ik heb zulke leuke schoenen gezien.”

Moeder leek niet in de stemming voor nieuwe schoenen. Maar ja, dat kon mijn voorpret niet drukken. Ik vertelde wel drie keer achter elkaar dat die mooie schoenen bij winkel X …. Ja,ja, dat wist ze nou wel. Trouwens, daar kopen, dat ging sowieso niet door. Daar moest je betalen. Ja gut, logisch toch? Nee, we gaan naar winkel Z. Daar hadden we wel vaker schoenen gekocht, maar die had lang niet zulke leuke. Waarom nou? Nou daarom. Maar zo gemakkelijk liet ik me niet met een kluitje in het riet sturen.

En na lang zeuren kwam het hoge woord eruit. Daar kon je met bonnen betalen. Oh ja, die bonnen. Ik begreep helemaal niet hoe dat in elkaar stak. Maar ik wist wel dat, voordat er grote aankopen werden gedaan, moeder altijd in een flodderig geel boekje keek om daarna pas te beslissen waar we iets gingen kopen. Later ontdekte ik hoe het werkte. Moeder had een soort van lening gesloten. Ze kreeg echter geen contant geld, maar de beruchte bonnen. Wekelijks betaalde ze de lening af bij de “bonnenman”, een in mijn ogen wat gluiperig tiepje. Die overigens bij meer deuren in de straat aanbelde en geduldig op zijn geld wachtte.

De weken daarna liep ik telkens langs de schoenenwinkel, stil hopend dat ik die mooie schoenen toch eens zou bezitten. Tot op een dag de etalage was veranderd en mijn droomschoenen verdwenen waren.

Maar eindelijk was het dan toch zover. We gingen schoenen kopen. Moeder had voor deze keer besloten om naar Schiedam te gaan, waar ook een “bonnenwinkel” was.

De winkel zat aan het einde van de Rotterdamsedijk. Een behoorlijk stuk lopen, maar dat spaarde weer geld voor de tram uit. Wist ik veel van de geldzorgen van mijn moeder…. En was dat maar het enige. Ook het humeur van mijn vader was een bron van zorgen. Op de meest ongelegen momenten kon hij zomaar van vrolijk naar ongenietbaar omslaan en wekenlang niet willen eten of zelfs maar praten. Het was altijd oppassen met wat je zei of deed. Niet dat het hielp, maar het hele gezin liep spitsroeden om het vader naar de zin te maken.

In de winkel vertelde ik meteen dat ik moderne, vlotte schoenen met een hakje wilde. Moeder protesteerde, nee degelijk en op de winter berekend moesten de schoenen zijn. De verkoopster keek hulpeloos. Dat zou nog wel eens lastig kunnen worden. En of, dacht ik, want de dwarse puber in mij stak net de kop op. Ik zou beslist niet overstag gaan.

Ze begon maar meteen flink, met vijf paar schoenen. Geen enkele beviel me natuurlijk. Nogmaals vijf dozen aangerukt. Weer niks, hoewel mijn moeder er wel iets tussen zag. “Oh nee, die kleur, nee… Dat model, hoe kon ze dat nou denken? Nee, die waren te hoog, die te laag.”

En de stapels schoenendozen werden alsmaar groter. Steeds dieper zuchtend verdween de verkoopster naar het magazijn. Mijn moeder zag inmiddels rood. Zweet parelde op haar voorhoofd en ze schuifelde zenuwachtig op haar stoel. Op het laatst siste ze woedend: “Nou kies je potjandorie een paar, anders gaat het hele feest niet door!” “Nou dan niet toch.” Ik voelde me sterk en we gingen onverrichter zake weer terug naar huis.

’s Avonds probeerde ik mijn vader te paaien. En daar had ik nou net het verkeerde moment voor gekozen. Hij vloog op en zei: “Nou dan loop je nog maar een tijd op deze barrels. Er worden geen schoenen meer gekocht. Punt! Uit!”

En ik had alleen nog maar dat ene paar flatjes, met een gat in de zool. Die hele winter, of het nu regende, sneeuwde of vroor, ik kreeg geen nieuwe schoenen. En het gat werd steeds groter.

Pas in maart leek de tijd weer rijp voor nieuwe schoenen. En ondanks mijn protesten, de bittere tranen en lieve woordjes. Het werd niet mijn keus, maar de stevige juchtleren veterschoenen die moeders én vaders goedkeuring konden wegdragen.

(eerder geplaatst op knutzels.nl op 19 januari 2010)

What is in a name?

Door Els, 16 januari 2010

Mijn naam komt, geloof ik, niet meer zo vaak voor, maar dat is wel anders geweest. Ik herinner me een klas van de lagere school waarin wel drie Elzen zaten.

Ik vond (en vind nog steeds) dat ik er met namen krijgen maar bekaaid af kwam. Drie letters en dat was het, niks geen Elisabeth… en zeker niet meer dan één naam. Nee, gewoon Els, daarmee moest ik het doen.

Mijn enige zus Rina, die 18 jaar ouder was, vertelde dat er wel heel lang nagedacht is over die naam. Er moeten er vele de revue gepasseerd zijn, waaronder Joyce, wat zij heel mooi vond. Maar moeder besliste dat met zo’n naam een kind niet stout zou kunnen zijn. Bij zo’n naam paste eenvoudigweg geen boosheid. Mama rekende zeker al een beetje op een recalcitrantje.

Rina was vernoemd naar mijn oma van moederskant: Adriana Marina. Vernoemen naar de moeder van vaders kant was geen optie.  Het werd Els en dat bleef het. Nou ja, Aartje Baartje, naar oma,  was ook niet je dat.

Och, het was ook wel makkelijk en lange tijd liet ik het zo. Alleen als er weer eens Elsje-Fiederelsje werd gezongen, dan haatte ik die naam.

Maar ik werd ouder en opeens besloot ik dat ik Isabelle genoemd wilde worden. Mijn vader haalde zijn schouders op over zoveel flauwekul en heeft me zo nooit genoemd. Mijn moeder heeft een of twee slappe pogingen gedaan. Maar Piet, de verloofde van Rina, blies het project in één keer en uiterst adequaat naar de maan.

Nadat ik hem verteld had dat ik dus niet langer Els maar Isabelle was, knikte hij. Het was die avond Isabelle voor en na. Ik gloeide van trots. Zo zou ik dus voortaan genoemd worden.

Maar de volgende keer dat hij bij ons kwam, riep hij al op de trap luid: Hallo Elsje! Ik keek hem vernietigend aan en toen zei hij; ” Oh nee, zo heet je niet meer. Maar wat was je naam dan ook alweer?”  Met een diepe frons dacht hij na, zuchtte eens en zei toen: “Oh jaaaa, ik weet het weer. Je heet nu Tuttebel“.

Van toen af aan was ik weer gewoon Els.

(eerder geplaatst op knutzels.nl op 13 januari 2010)

Panorama Theme by Themocracy