Morvan

Door Thérèse, 3 augustus 2010

De Morvan, Frankrijk, 2005. Wij hadden daar in een dorpje een huisje gehuurd om nog eens met z’n allen vakantie te vieren. Wij kwamen daar aan en de volgende ochtend, een zondag, zagen wij al vroeg allerlei landbouwmachines aan komen rijden, van een eenvoudige tractor tot de meest geheimzinnige apparaten.
Wat bleek na enig speurwerk? Het feest van de Oogst. Speciaal voor ons? Daar leek het wel een beetje op eigenlijk.
Wij kregen geweldige demonstraties hoe vroeger het graan geoogst werd, er was muziek, je kon er heerlijke plaatselijke producten komen en…’s middags was het bal. Geen gewoon bal, maar men deed de eeuwenoude dansen met drinkliederen. Vooral schoondochter en ik hebben erg genoten.
Wat een verrassing toch, één feest per jaar en dan juist op de dag dat wij daar nietsvermoedend in het dorp arriveerden.

De nieuwe kleren of een modern sprookje

Door Thérèse, 4 juni 2010

Het lijkt een sprookje, maar is eigenlijk autobiografisch en een herinnering aan mijn verblijf in een ziekenhuis wat jaartjes geleden. Dus toch een soort herinnering:

Er was eens een aardige dame, met rode krullen, die heel aanstekelijk kon lachen….
Een prinsesje, tante Grimm?
Nee kind, het is een modern sprookje. Nou goed, houd je mond verder, als ik vertel! Ze kon dus heel smakelijk lachen, maar ze was veel en veels te dik geworden, zomaar, echt waar..
Net als Holle Bolle Gijs, tante Grimm?
Nou zó dik niet. Maar, op een goede dag, werd ze ziek en toen weer beter, hoor en opeens was ze niet meer dik, maar slank, een soort mager, en o o , wat was ze blij. Haar grote blouses fladderden om haar lijf en haar spijkerbroeken zakten –boem- zomaar van haar kont op de grond.
Hahahahahaha hahaha….
Stil nou. Wat was zij blij, die aardige dame en zij ging na een tijdje naar de winkels om naar nieuwe kleren te zoeken. Zij hoefde niet meer naar die rekken, waaraan hele grote broeken hingen, want die….zeg ’t maar…
..gleden –BOEM- van haar kont …op de grond, hahaha..
Precies. Je hebt goed opgelet. Ze kocht een leuke kleine korte spijkerbroek, en kleurige hemdjes, met kant, een rode en een groene en mooie bloesjes, een liefroze, dat nu prachtig stond bij haar rode krullen en ook een knalgroene met epauletten en een bruin strak rokje en een bijpassend bruin jasje EN……tada……een witte rok met strookjes, en een lintje aan de zijkanten, mooi…!!!
Ging ze trouwen, tante Grimm?
Nee, sufferd, ze was al lang getrouwd.
Met wie dan? Dat hebbu…
Met een aardige heer met zwart haar, die gekke grapjes kon maken ….En weet je wat ook zo leuk is? Al die kleertjes waren niet duur meer, omdat het toch maar regende en regende en de mensen alleen maar dikke vesten kochten. Dus de aardige dame had nu mooie kleren en was toch niet arm en zielig geworden. Maar weet je, kind, in haar eigen land bleef het maar slecht weer en kon ze die nieuwe kleren helemaal niet dragen….
Zoals hier, tante Grimm?
Ja exactement, zoals hier. In andere landen scheen wel de zon, tenminste als je de goede kant opging, naar het ZUIDEN, daar was het prachtig en je kon er heerlijk zwemmen en daarom zei de aardige dame tegen de aardige heer: “Zeg aardige heer, zullen wij saampjes naar het ZUIDEN gaan, waar het altijd mooi weer is en de mensen zo vrolijk zijn…?.”
“Nou aardige dame van me, dat doen we. Het is wel heel duur, hoor, maar het is heel gezond voor jouw prachtige….
Kont, hahahaha….
…uh beter voor je bips, want die ziet wat pips..hihi
En zo gezegd, zo gedaan. Overdag dartelden zij bloot aan het strand en in de golfjes, maar ’s avonds kon de aardige dame haar mooie nieuwe kleertjes dragen, dan weer dit en dan weer dat. Soms ging zij na de soep zich even verkleden, en na het puddinkje weer en iedereen werd jaloers op de aardige heer, die zo’n mooie dame had. Goed beschouwd werden zo de nieuwe kleertjes eigenlijk heel duur, als je het goed bekijkt, maar dat deden zij gelukkig niet en zij leefden nog lang en vrolijk.

De moraal: Men moet het ijzer smeden, waar het lekker warm is.

(eerder geplaatst op theresesatelier.web-log)

25 augustus 2008

Om nooit te vergeten

Door Thérèse, 13 mei 2010

Ik heb nog nooit op skeelers gestaan,
ik heb nog nooit een brommer bezeten,
ik heb nog nooit een koolraap gegeten,
ik heb nog nooit een bedevaart gedaan.
.
Ik heb geen altviool bespeeld,
ik heb nog nimmer Drents gesproken,
ik heb geen klapsigaar geroken,
ik heb geen struikje wiet geteeld.
.
Als ik de dingen zo eens tel,
heb ik meer niet gedaan dan wel,
ofschoon geboren lang geleden.
.
Dus wat mij des te sterker heugt,
Is dit: ik heb eens in mijn jeugd
aan ’t strand een ezeltje bereden.
.
Een variatie op:
Het onvergetelijke
van
Herman Pieter de Boer
Uit: Louter streelzucht, Baarn Fontein, 1982

(eerder geplaatst op 31 mei 2008 op theresesatelier.web-log)

Lieve ‘ouwe’ dagboeken

Door Thérèse, 15 april 2010

Toen ik nog niet (b)logde, waren daar de dagboeken. Ik was niet zo’n heel erg trouw dagboekenschrijfster; meer iemand die het een tijd liet afweten en dan weer eens een andersoortig begon. In de laatste, die nog op papier waren, schreef ik min of meer geregeld, maar ik plakte er ook uitnodigingen e.d. in, meer onder het motto ze op die manier niet meer kwijt te raken en al plakkend meteen ook maar andere dingen, en als ik zo aan tafel zat, met uitzicht op de straat, kon het ook gebeuren, dat ik probeerde te tekenen wat ik daar allemaal zag. Niet een toevallige voorbijganger, want ik ben tenslotte geen sneltekenaar. Maar het verwisselen van een paaltje bijvoorbeeld. Dat duurde en dat duurde…..maar toch is dat niet gemakkelijk tekenen, hoor! De 1e man was continu in beweging en toen kwam er een tweede bij…..nee, het was niet zo eenvoudig, noch het verwisselen van dat paaltje noch het vastleggen van die klus.. Ik zal u er een klein gedeelte van laten zien. Misschien krijgt u zo wat ontzag voor de harde werkers hier, die het er niet bij laten zitten en zich niet laten kisten door zo’n paaltje. “In de grond zal die…, dat stomme ding…..pfft…boem boem…”

klik op de plaatjes voor grotere afbeeldingen

(eerder geplaatst op 5 november 2008 op theresesatelier.web-log)

Andere tijden

Door Thérèse, 7 april 2010

(Tijd: ong. 1977-1984. Plaats: Hoogkarspel)

Wij gaan nu even terug in de tijd, niet zo heel ver dit keer, maar ongeveer naar de basisschooljaren van onze zoons, dus even rekenen…..het begon, denk ik, in 1977. Toen werd ik en vele andere moeders in het dorp gevraagd te komen helpen.

Er werden leesmoeders gezocht, keuzehobby-uurmoeders, rekenmoeders en later zelfs ook nog hakketakmoeders. Rustig maar, ik leg het u allemaal uit.

Ik begon als leesmoeder. Twee keer per week kwam ik in de eerste klas bij die schattige kindertjes, die net met lezen begonnen waren. Ze hadden allerlei kaartjes waarop woordjes stonden en verschillende letters, kortom deze leesmoeder is het precieze ervan totaal vergeten. Maar het was gezellig. Je werd meestal aangesproken met “moeder van…” door de kinderen. Zo kon het gebeuren dat ik plots een jongetje met een beetje zware stem hoorde zeggen: “Moeder van M., mag ik u een kus geven?” Ha, dat mocht, dat voelt u wel, hè?

Later kwam het echte lezen: het niveau lezen, door de kinderen –ja, wisten zij veel- ‘nívolezen’ genoemd, met de klemtoon op de i. Men las op zijn/haar eigen niveau. Dat was ook heel gezellig, de meeste kinderen deden het met plezier.. Er waren veel kinderen, die oorspronkelijk uit A’dam afkomstig waren. Zo hoorde ik een jochie eens reuze zijn best doen: “….de sjon die sjeen sjo heerlijk sjoon….” Intussen las ik in twee klassen, in die van de jongste en die van de oudste zoon. Vier maal extra heen en weer fietsen.

In de zesde klas had ik een groep van drie zich heel moeilijk concentrerende jongetjes. Of ik er nog enig succes mee geboekt heb, dat weet ik niet. De ene zat meer onder de tafel dan dat hij in zijn boek keek en de andere zat meestal met een lekkende vulpen wat te tekenen en de derde zat te suffen, dacht ik. Als ik moest noteren in een schrift waar we gebleven waren –meestal nog geen hele bladzijde verder- reikte die ene knaap behulpzaam zijn vieze vulpen aan om mij terwille te zijn, heel aardig, hoor! Zelf zat hij na het nivolezen ook helemaal onder de inkt. Ik overlegde natuurlijk wel eens met juf, of ik het wel goed deed, zoals het ging. “O ja” zei zij, u heeft veel geduld, ze komen met plezier bij u; allicht leren ze dan wat.!”

Later ben ik nog keuzehobby-uurmoeder geweest, zelfs rekenmoeder (brrr); ik zou u daar ook nog heel wat over kunnen vertellen. Misschien komt dat nog een keertje…..Alleen voor hakketakmoeder heb ik bedankt. Het woord alleen al. Dan moest een moeder de kinderen helpen met allerlei moeilijke woorden in een schrijft te schrijven, het zogenaamde hakketakschrift. “Ja, ’t is goed!” zei ik tot mijzelf. “Dat wordt mij te gek! Ze hakketakken maar zo veel ze willen, maar dan zonder mij.” Een hakketakmoeder, zegt u nu zelf.

Tijden veranderen. Ze zijn er, denk ik niet meer, al die steuntroepen ( soms ook vaders een enkele keer; was ik vergeten, sorry.) Andere tijden, lieve lezers. Toch heb ik daar hele goede herinneringen aan en er kwamen veel vriendschappen uit voort, zowel tussen de kinderen als tussen de moeders.

Het Tennisclubje van mijn moeder

Door Thérèse, 13 maart 2010

Mijn drie broers en één zus waren nog jong en mijn moeder wat ouder dan wij, maar toch ook jong. Zij zat met andere dames op een tennisclubje. Over deze vriendinnen valt ook veel te vertellen, maar dat komt misschien nog wel eens. Jaren achtereen tennisten zij, tot mijn groot vermaak, met een lange witte plooirok aan, sommigen met fris weer met een pothoed op, waarbij mijn beste vriendin E. en ik dubbel lagen van het lachen. Wij mochten namelijk wel eens meedoen, als een van de dames verhinderd was. Wij sloegen dan slimpjes de bal in een onverwachte hoek tot hun grote verontwaardiging. Zij zeiden dan nogal boos, dat zij op die plaats niet stonden en hem zo onmogelijk terug konden slaan. Mijn moeder, die de jongste was, vergoelijkte het met een lachje en zei, dat zij immers al oud waren.

Op alle verjaardagen kwamen zij bij elkaar. Ook natuurlijk op die van mijn moeder. Mijn zusje en ik moesten overal voor zorgen. En wat wensten de dames? Eerst een lekker kopje thee met een gebakje. En dan – in een ander kopje – een heerlijk bakje koffie en een chocolaatje erbij. Mijn zusje en ik ergerden ons dood! Geen van beiden erg huishoudelijk ingesteld, moesten wij – totaal onnodig – extra kopjes afwassen.

Als zij afscheid namen, zei één dame (lerares en geen kinderen van haar zelf) steevast schalks tegen mijn broers: “….en geen vuurtje stoken, hoor jongens!” Mijn broers werden ouder en wachtten ieder jaar vol spanning af of zij het weer zou zeggen en ja hoor…zij zei het tot grote lol van ons natuurlijk. Wij waren allen zo beleefd om te wachten tot ze weg waren, maar dan rolden wij ook onder tafel van het lachen.

Hier een mooi groepsportret van het Tennisclubje in 1968 (foto Joop)
(klik op de foto voor een groter plaatje)

De tekening is gemaakt door Hans (Kwaster)


(eerder geplaatst op 15 juli 2006 op theresesatelier.web-log)

Het prille begin

Door Thérèse, 17 februari 2010

Mijn allereerste grote artistieke prestatie en tevens die van mijn zusje en een van mijn broers, was een heel toevallige. Ik zal dit vertellen zo als het in mijn geheugen zit. Of het precies met de werkelijkheid strookt, weet ik niet, maar mij maakt dat niet zoveel uit.
Wij woonden destijds in een heerlijk groot huis en als het regende, konden wij ons prima vermaken op een grote, geheimzinnige zolder. Er lagen daar appels op rekken opgeslagen, waarvan wij wel eens een hapje proefden. Maar vooral zeer interessant waren de kasten met allerlei dingen erin. Een zuurstofmasker uit de oorlog bijvoorbeeld; pas veel later wisten wij wat dat was. Wij voerden er leuke toneelstukjes mee op, bijvoorbeeld ‘De olifant met de grote ogen’. Er lagen kerstspulletjes. Zo kon het gebeuren dat het kindje Jezus nog eens midden in de zomer geboren werd.
.
En op een dag deden wij een prachtige ontdekking. Het grote schilderij, dat vroeger in de huiskamer gehangen had: De Paus, de Kardinaal en de Schildwacht. Een van de jongste kinderen noemde het eens ‘de Paus, de Garnaal en de Schildpad’. Dat hielden wij erin vanzelfsprekend. Vele keren zagen wij bij alle maaltijden de Paus (Pius XII) streng toekijken, geflankeerd door de Garnaal en de Schildpad, volgens mij met een helm op. Het was dus kennelijk op zolder beland. En wat vonden wij in een andere kast? Potten en potten met verf en kwasten bij de vleet.
.
Tja, lang aarzelden wij drieën niet. Wij werden direct danig geïnspireerd en konden het niet laten. Wel overlegden wij even, wat het zou worden, want er was tenslotte maar één doek of karton, waar wij het gezamenlijk mee moesten doen. Omdat wij vaak indiaantje speelden, besloten wij dat het een Indianentrio zou worden. Ik als oudste mocht de Paus ‘doen’ en hij werd natuurlijk een opperhoofd, met een grote verentooi. Mijn zusje en broer deden de anderen; beiden toverden de Garnaal en de Schildpad om in fiere Indianen. De kleding veranderden wij ook natuurlijk. Er bestaat geen Indianen Opperhoofd met een paarse lange jurk en een verwijfd wit capeje om of kapmanteltje. De helm van de Schildpad kon ook niet natuurlijk. Maar de gezichten, daar kwamen wij niet aan. Misschien dachten wij zo onze ouders niet te veel aan het schrikken te maken? Of vonden wij het op die manier veel meer om te lachen, net zoals je bij Kuifje kon lachen en Donald Duck? Ik zou het niet meer weten. Ook niet of onze ouders erg boos waren, ik wéét het niet meer.
.
Jaren later gingen wij warempel alle drie naar een kunstacademie.” Gods wegen zijn ondoorgrondelijk..”, schijnt mijn vader eens gezegd te hebben. Mijn zusje is later een heel andere kant uitgegaan; mijn broer is meer in de Industriële Vormgeving beland, maar toch hebben die Indianen vast een rol gespeeld bij onze diverse loopbanen.

Hoe mijn vader als Opa een metamorfose onderging

Door Thérèse, 4 februari 2010

Het kan wonderlijk lopen in het leven. Nog altijd als ik hieraan terugdenk, blijft er een enorm gevoel van verbazing opkomen, zelfs een gevoel van: “Maar dit kan toch helemaal niet? “
.
Ja, nu maak ik u wel een beetje nieuwsgierig, hè? Eerst zal ik wat over mijn moeder vertellen, voordat zij Oma werd en nog gewoon ‘ons moeder’ was. Ik hoef u eigenlijk alleen te vertellen, dat er door mijn vriendinnetjes als het ware gevochten werd om een uitnodiging te krijgen om op mijn verjaarsfeestje te komen, want “‘daar kan je zo lachen, joh! Haar moeder verzint de leukste dingen………” Begrijpt u wel, zo’n moeder was zij (en is zij). Er kon heel veel; onze tuin was altijd vol met kinderen, die dingen bouwden, die, verkleed als indianen, indianenvrouwen en ‘cowboys,’ in potten roerden, op denkbeeldige paarden galoppeerden, dan weer met poppen in de weer waren, schooltje speelden, voetbalden en noem maar op.
.
En dan ‘ons vader’…..zo gemakkelijk en vrolijk ons moeder door het leven stapte, zo heel anders was hij. Hij was vooral streng en zag de opvoeding van vijf kinderen als een ernstige zaak. Hij had ook wel veel gevoel voor humor, maar dat liet hij niet gauw merken. Men mocht eens denken dat hij geamuseerd was door onze streken. Wel vond hij de studie van zijn dochters even belangrijk als die van zijn zoons. Dat was best modern voor die tijd. Ik was de oudste en werd, zoals dat gaat, het strengst behandeld. Hij hield in de gaten, of ik niet te laat thuis kwam, met wie ik omging (jongens!) en controleerde wat ik allemaal las. Een klein beetje bang voor hem was ik als kind wel, moet ik zeggen.
.
Wat jaartjes later, werd ik moeder en zij werden dus Oma en Opa. Mijn moeder was helemaal in de wolken, maakte volop kleertjes en speeltjes en was helemaal zoals ik verwacht had.
Hoe verliep het echter met mijn vader? De eerste maanden genoot hij op afstand; zo’n klein kindje vasthouden dat deed hij nog niet. Maar hij lachte en zei steeds innig tevreden als hij zijn 1e kleinzoon zag: “Het gaat hem goed…..”
Er kwamen nog meer kleinkinderen in de familie en terwijl zij groter werden, werd mijn vader een geheel andere man. Hij ging met ze naar de kinderboerderij, naar een zwemplasje in de buurt, de natuur in om planten te onderzoeken, eikels rapen in het bos en op een dag gingen mijn moeder en ik eens kijken waarom er toch zo’n gekrijs uit de tuin kwam. Men speelde Indiaantje en Opa liet zich gewillig als ‘een gevangen bleekgezicht’ aan de paal van de waslijn binden. En daaromheen joelden ‘de Indianen’ hun krijgsliederen. U begrijpt wel, dat ik op dat moment zo verbaasd was….en dat ook bleef. Bij de kleinkinderen was hij de meest geliefde persoon. Het gebeurde zelfs een keer, dat een kind binnen kwam en aan mijn moeder vroeg: “Is er niemand thuis?” Opa was dus even weg. Gelukkig kon mijn moeder er hartelijk om lachen, maar het is wel typerend voor de situatie toen.
.
Er is altijd een geweldige band gebleven tussen hem en onze jongens. Hij heeft hun afstuderen nog meegemaakt en was daar heel trots op. Een paar jaar geleden is hij overleden. Maar met recht zouden onze jongens kunnen zingen: “Mijn Opa, mijn Opa,mijn Opa, ………niemand zo aardig als hij! “

roeien of : mijn ‘sportprestaties’

Door Thérèse, 13 januari 2010

O, wat kan ik soms terugverlangen naar die tijd, toen ik en mijn hartsvriendin Els om van alles in een deuk lagen. De giechelleeftijd noemde mijn moeder dat. De puberteit vond ik één doffe ellende, maar tegelijkertijd hebben we wat afgelachen. Wat raar eigenlijk of zou die puberteit pas later zijn gekomen? Ik weet het opeens niet meer.

Door het een of ‘t ander moest ik opeens denken aan een roeiwedstrijd. Die werd georganiseerd door het Meisjeslyceum waarop wij beiden zaten. Door Breda stroomt niet alleen de Aa maar ook de Mark en daar zou die wedstrijd plaatsvinden. Waarom het ging en waarvoor, dat alles is mij nu ontschoten. Maar de vraag wie met wie ging roeien, dat was duidelijk. Dat gingen wij samen doen. Nu hadden wij nog nooit geroeid, maar die andere meisjes ook niet, dat dachten wij. Om te beginnen, wisten wij niet eens dat dit achterstevoren moet….Wij lagen dus al wat achter op onze tegenstandsters, toen wij dit ontdekten en de boot weer in de goeie stand hadden. Oké, oké, dan achteruit, als dat zo nodig moet. Wel onhandig, vonden wij, maar ja, wij hadden deze vreemde sport nu eenmaal niet zelf uitgevonden. Wij pakten de riemen, deden eerst wat slagen in de lucht, waarop wij bijna voorover van het bankje vielen van het lachen. Vervolgens kregen we de riemen ín het water, maar te diep, veel te diep en dat is zwaar, hoor! Bijna vielen wij daardoor achterover van het bankje, waar wij allebei de humor van inzagen en vreselijk moesten lachen. Onze tegenstandsters waren al meters gevorderd en op de kant stonden diverse vriendinnen ons aan te moedigen en de anderen rolden in het gras van het lachen. Toen wij weer wat bekomen waren, – dat heeft tijd nodig – kregen wij de slag te pakken. Wij kwamen vooruit, nee achteruit natuurlijk, nee zijwaarts! Met een tamelijk grote vaart ging die stomme boot linea recta ….naar de overkant. BOEM. Hahahaha, dat was nog eens lachen. Onze tegenstandsters naderden de finish. Wij moesten de boot van de kant afduwen, recht zien te krijgen en met de neus de juiste kant uit en een nieuwe poging doen. Nogal bibberig intussen van weer een slappe lach, trokken wij toch stevig aan de riemen om… hopsakee de andere kant te bereiken. BOEM.

Nu hadden wij het helemaal niet meer. Helemaal slap van de lach hingen wij in die boot. Onze tegenstandsters waren gefinisht. Zij hadden welverdiend van ons gewonnen. Nou ja, zo moeilijk was dat niet, vindt u wel?

Helaas en nogal flauw, vonden wij, zagen de leraren (m/v) er totaal de humor niet van in en wenkten ons gauw naar het eind te komen omdat er maar twee boten waren en zij die van ons nodig hadden voor de verdere wedstrijd. Ja, ja, dat kan men wel willen en wij deden ons best, maar wij zigzagden heen en weer. Laveren heet dat in zeiltermen, geloof ik. Men werd zelfs een beetje boos op ons…..wij durfden eigenlijk niet meer te lachen, maar toen er weer eens luid en duidelijk BOEM klonk, schoten wij toch weer danig in een hevige lachbui. Uiteindelijk is dat rotding, die boot, aangekomen, vraag niet hoe, maar het is ons gelukt.

Ik weet ook niet meer of wij nog een poedelprijs kregen; ik denk het niet. Maar wij en onze vriendinnen hebben er nog maanden lol om gehad. Een roeiwedstrijd is er nooit meer gekomen. Jammer toch? Nu kan ik het nog steeds niet. Tot verdriet van een vroegere buurvrouw, maar dat is een ander roeiverhaal.

(eerder geplaatst op 1 augustus 2009 op theresesatelier.web-log)

Vroeger lijkt altijd mooier dan nu

Door Thérèse, 31 december 2009

Ik denk aan de Oudejaarsavonden in de tijd, dat ik tussen kind en jong meisje in zat. Oudejaar vond ik altijd iets bijzonders hebben. Vooraf of op de avond zelf (dat weet ik niet meer) had je het Jaaroverzicht, altijd gelardeerd met grapjes, die het net iets minder ernstig maakten; zo leek het in mijn ogen dan.
Als ik nu zeg, dat ik eigenlijk het Jaaroverzicht wil zien, zegt altijd iemand: “He, bah, mam, wil je al die ellende nóg eens zien?” “Nee, het hoeft niet meer..”zeg ik dan maar. Ik weet ook niet of ik vroeger erbij zo heel erg goed oplette, maar het had iets afsluitends, wat toch bij een afgelopen jaar past, een jaar dat voorbij is.
.
Wij aten altijd warme oliebollen ’s avonds. Wat was ik verbaasd toen ik in het noorden, in Hilversum, bij mijn a.s. schoonfamilie, overal schalen met oliebollen zag staan, die al lang koud waren. Alsof ze veel te vroeg met bakken begonnen waren…
.
Daarna gingen wij spelletjes doen thuis, de ouderen gingen kaarten, men luisterde naar Wim Kan, waarvan ik overigens niets begreep en soms was er iets leuks op de TV. Het was niet moeilijk kiezen; er was nog maar één zender, geloof ik. Wat was het later verwarrend met al die zenders: de een wilde persé Freek zien, een ander die juist niet…..
Soms vierden wij het met de buren, toen wij al kinderen hadden en dan was het eigenlijk altijd een pure ramp. Buurvrouw vond dat de TV niet aanmocht, buurjongen speelde vals met Mahjong, wat een kind van mij heel boos maakte, een andere buurjongen kon sowieso niet tegen zijn verlies, Hans morste, van de zenuwen waarschijnlijk, een vol glas rode wijn tegen de pas gewitte muur, waar hij –zal je net zien- nog jááááren mee geplaagd werd. En er MOEST zoveel zijn, altijd: borstplaat was een must, naast de oliebollen en nog veel meer eten. Mijn twee buurvrouwen konden eindeloos kissebissen of er wel of niet verse gist in moest of sukade of sukade met appel. Beiden vonden natuurlijk hun eigen bollen ver uitsteken boven die van de ander. En dan het vuurwerk. Hans en een andere buurman hadden eens lux gedaan en iets gekocht wat zij op het vogelhuisje monteerden. Terwijl wij allen van achter het raam toekeken, staken zij het aan. Er vlogen allemaal grote rode vurige ballen de lucht in, maar ook in de richting van die twee mannen, die maakten dat zij naar binnen kwamen. Een geluk bij een ongeluk was, dat zij allebei een volle baard hadden, die nu wel geschroeid was, maar hun wangetjes toch mooi beschermd had.
Wij thuis snoepten helemaal niet zo veel. Maar tegen twaalf uur stond er een heerlijke salade. Mijn moeder had er vreselijk haar best op gedaan en het in de vorm van een klok gemaakt, die vijf over twaalf aangaf. Prachtig vond ik dat, zo heerlijk symbolisch. En daar hield ik zo van, sentimenteel als ik was en nog steeds ben.

Ik wens u allen een gezellig Oudjaar (zonder al te veel ruzie), oppassen met vuurwerk.

Panorama Theme by Themocracy