‘Hun hebben’
‘Hun hebben.’ Het schijnt dat steeds meer Nederlanders — en niet alleen allochtonen — zo praten. Een hooggeleerde man zei dit uitstekend te vinden, alleen al omdat het ondubbelzinnig is, want je van ‘zij’ niet kunt beweren. Ik ben geen frik en vind het ook prima, als ik maar niet zo hoef te spreken en schrijven.
Taal is een levend uitdrukkingsmiddel. Je hoort en ziet dat er regelmatig woorden bijkomen of van betekenis dan wel gevoelswaarde veranderen. Andere raken onder het stof, soms na een tijdje een kwijnend bestaan als misverstand te hebben geleid. ‘Jobstijding’ (wat een prachtig woord!) is voor velen van mijn generatie een bekend begrip; het slaat op de heilige man Job uit het Oude Testament, die berichten kreeg over het ene malheur na het andere waarmee God hem op de proef stelde. Tegenwoordig, zo las ik laatst, kun je het beter niet meer gebruiken, omdat veel jonge mensen menen dat het een mededeling over een baan geldt.
Ieder kind van 8 kende — en gebruikte — in mijn jonge jaren het woord ‘ersatz’. Het is Duits en betekent: vervangingsmiddel, surrogaat. (Het werd door Nederlanders overigens verkeerd uitgesproken, namelijk met de klemtoon op de eerste lettergreep). Naarmate de oorlog langer duurde, ontstond aan steeds meer levensmiddelen gebrek. Dat gold natuurlijk vooral voor de zogenaamde koloniale waren. Zo werd koffie vervangen door geroosterde cichorei en thee door tabletjes van geperste vlierbessen — bah, ‘ersatz’!
Bukshag — hè, wat bedoelt u? Nicotineverslaafden liepen tijdens de Duitse bezetting met hun neus naar de grond, in de hoop een peuk te vinden; zij bukten zich dan om die op te bemachtigen, verwijderden het vloeitje, droogden de shag op de kachel en rolden van de bukshag nieuwe saffies. Ondanks de schaarste werd dit toch als schoremachtig opgevat, ‘peukenraper’ was een scheldwoord.
‘Onderduiker’ hoor ik tegenwoordig nooit meer en als het hier of daar al klinkt, zal het wel wat anders betekenen dan tijdens WOII. Toen was het in ieders mond, want vooral op het platteland wemelde het van de onderduikers: jongemannen die weigerden zich te melden voor tewerkstelling in Duitsland, de gevreesde ‘Arbeitseinsatz’.
Tijdens de lange winteravonden van destijds zaten wij kinderen onder de lampenkap rond de tafel in de huiskamer en speelden ‘pim-pam-pet’. Je moest een veelhoekig tolletje met letters draaien, een kaart trekken en dan een antwoord, beginnende met het resultaat van het tolletje, geven. Mijn kleine zusje Nelly draaide een ‘n’ en trof een kaart met de vraag: ‘Wat vinden we op de boerderij?’ Nelly: ‘Een nonderduiker.’
Het volgende heeft niets met de oorlog te maken. Mijn broertje Jacques kreeg een ‘g’ en de opdracht: ‘Noem een jongensnaam.’ Jacques: ‘Gebber.’ Algemeen protest: ‘Fout! Zo’n naam bestaat niet.’ ‘Welles,’ hield Jacques vol. ‘Kijk maar naar de fietsenzaak in de Molenstraat. Daar staat: “Rijwielen – Gebr. De Haas”.’

