‘Hun hebben’

Door Henk, 10 maart 2010

‘Hun hebben.’ Het schijnt dat steeds meer Nederlanders — en niet alleen allochtonen — zo praten. Een hooggeleerde man zei dit uitstekend te vinden, alleen al omdat het ondubbelzinnig is, want je van ‘zij’ niet kunt beweren. Ik ben geen frik en vind het ook prima, als ik maar niet zo hoef te spreken en schrijven.

Taal is een levend uitdrukkingsmiddel. Je hoort en ziet dat er regelmatig woorden bijkomen of van betekenis dan wel gevoelswaarde veranderen. Andere raken onder het stof, soms na een tijdje een kwijnend bestaan als misverstand te hebben geleid. ‘Jobstijding’ (wat een prachtig woord!) is voor velen van mijn generatie een bekend begrip; het slaat op de heilige man Job uit het Oude Testament, die berichten kreeg over het ene malheur na het andere waarmee God hem op de proef stelde. Tegenwoordig, zo las ik laatst, kun je het beter niet meer gebruiken, omdat veel jonge mensen menen dat het een mededeling over een baan geldt.

Ieder kind van 8 kende — en gebruikte — in mijn jonge jaren het woord ‘ersatz’. Het is Duits en betekent: vervangingsmiddel, surrogaat. (Het werd door Nederlanders overigens verkeerd uitgesproken, namelijk met de klemtoon op de eerste lettergreep). Naarmate de oorlog langer duurde, ontstond aan steeds meer levensmiddelen gebrek. Dat gold natuurlijk vooral voor de zogenaamde koloniale waren. Zo werd koffie vervangen door geroosterde cichorei en thee door tabletjes van geperste vlierbessen — bah, ‘ersatz’!

Bukshag — hè, wat bedoelt u? Nicotineverslaafden liepen tijdens de Duitse bezetting met hun neus naar de grond, in de hoop een peuk te vinden; zij bukten zich dan om die op te bemachtigen, verwijderden het vloeitje, droogden de shag op de kachel en rolden van de bukshag nieuwe saffies. Ondanks de schaarste werd dit toch als schoremachtig opgevat, ‘peukenraper’ was een scheldwoord.

‘Onderduiker’ hoor ik tegenwoordig nooit meer en als het hier of daar al klinkt, zal het wel wat anders betekenen dan tijdens WOII. Toen was het in ieders mond, want vooral op het platteland wemelde het van de onderduikers: jongemannen die weigerden zich te melden voor tewerkstelling in Duitsland, de gevreesde ‘Arbeitseinsatz’.

Tijdens de lange winteravonden van destijds zaten wij kinderen onder de lampenkap rond de tafel in de huiskamer en speelden ‘pim-pam-pet’. Je moest een veelhoekig tolletje met letters draaien, een kaart trekken en dan een antwoord, beginnende met het resultaat van het tolletje, geven. Mijn kleine zusje Nelly draaide een ‘n’ en trof een kaart met de vraag: ‘Wat vinden we op de boerderij?’ Nelly: ‘Een nonderduiker.’

Het volgende heeft niets met de oorlog te maken. Mijn broertje Jacques kreeg een ‘g’ en de opdracht: ‘Noem een jongensnaam.’ Jacques: ‘Gebber.’ Algemeen protest: ‘Fout! Zo’n naam bestaat niet.’ ‘Welles,’ hield Jacques vol. ‘Kijk maar naar de fietsenzaak in de Molenstraat. Daar staat: “Rijwielen – Gebr. De Haas”.’

Met prins Bernhard mee

Door Henk, 20 februari 2010

In 1956 (het kan ook ’57 geweest zijn) bezochten koningin Juliana en prins Bernhard de Philips-fabrieken in Eindhoven. Onze stadsredactie bestond uit slechts anderhalve man en een paardenkop, de taken waren dus snel verdeeld: mijn chef zou Hare Majesteit doen en ik Zijne Koninklijke Hoogheid.
Het ging er in die dagen nog heel gemoedelijk aan toe. Niemand kwam op het idee met een automobiel op de geliefde leden van ons geliefd vorstenhuis in te rijden en zelfs niet hun een trap onder hun geliefde derrière te verkopen. Ik hoefde geen hondenpenning om, ik hoefde geen etiket op, ik hoefde zelfs mijn perskaart niet te laten zien, alle dienders van de Brabantse ‘ville lumière’ kenden de stadsredacteuren als ordentelijke, oppassende armoedzaaiers. Zo kon ik dus met de prins meelopen, net als bij een militaire parade: één pas rechts van hem, twee pas achter hem.
Wat ik me van zijn bezoek vooral herinner is dat hij zich stierlijk verveelde en zich had voorgenomen dit overduidelijk te laten blijken, vooral door een slungelachtige wijze van voortbewegen.
Op zeker moment werd de prins uitgenodigd een klein, stikdonker vertrekje te betreden ‘voor een kleine verrassing’. Er was juist plaats voor hem, zijn adjudant, drie ingenieurs van Philips en uw verslaggever. Een van de vernuftelingen verrichtte een geheime handeling en presto, prestissimo: er lichtte een in een kostbare lijst gevat glasschilderij op, voorstellende de Philips-fabrieken; het betrof een techniek waarmee de fabriek destijds experimenteerde en die door een van de ingenieurs werd betiteld als ‘black light’. Charmante noot: op de karakteristieke toren van de lampenfabriek had men de prinselijke standaard geschilderd.
De baas van het trio trad eerbiedig naar voren en zei dat Philips het een oprecht genoegen en ware eer zou vinden, indien Zijne Koninklijke Hoogheid het schilderij als geschenk wilde aanvaarden.
‘Ja, maar waat moet iek ermee doen?’ gaf de prins als bescheid. En slenterde weg, de ingenieurs als geslagen honden achterlatend.

Ik was 10

Door Henk, 26 januari 2010

In Helmond stond een metaalbedrijfje dat, naar verluidde, zeer geavanceerde instrumenten maakte. Geen wonder dat het tijdens de bezetting een Duitse Verwalter kreeg, die voortaan de lakens uitdeelde. Als manusje van alles werkte er een zekere Van G., die met zijn gezin een paar huizen van ons vandaan woonde. Hij keek met zijn rechteroog in zijn linker broekzak en pruimde tabak of althans wat daarvoor in de laatste oorlogsjaren doorging, maar overigens was hij een oppassende katholieke kerel: ‘voor de Kerk getrouwd’, kinderen allemaal gedoopt, gevormd, eerste communie gedaan, plechtige communie gedaan en de oudste, die bij mij in de klas zat, had een eerste prijs voor catechismus gewonnen.

Op de avond van onze bevrijding werden we opgeschrikt door oorverdovend gelal en gebral. Daar kwam Van G., zo dronken als een kanon, met een bakfiets onze straat inrijden. Op het vehikel torende zijn oorlogsbuit, te weten: schrijf-, reken- en Hollerith-machines van zijn werkgever. Zo kwam ik als knaapje oog in oog te staan met een exempel van zedenverwildering waartoe de oorlog aanleiding geeft.

Onze bevrijders konden er trouwens ook wat van. Een Helmondse kastelein moest hulpeloos toezien hoe een paar ladderzatte Britten op zijn biljart klauterden, zich ontblootten en de gasten besproeiden met krachtige stralen urine. In een huis dat een tijdje gevorderd was geweest, hadden Britse militairen de tafel gedekt voor vier personen, de soepborden boordevol gekakt en in de uitwerpselen bestek geplant.

Van deze laatste gebeurtenissen ben ik geen getuige geweest. Dit beeld echter is me bijzonder bijgebleven: een sergeant die in een fabriekshal de rugzakken van zijn gesneuvelde strijdmakkers leegschudde. Ik zie de spullen nog vallen: een slinger Franse prentbriefkaarten, een pijp, wat brieven, een mondharmonicaatje…

(eerder geplaatst op 4 november 2009 op henkgrasduint.web-log)

Wraak

Door Henk, 15 januari 2010

Vanochtend bromde een vrachtwagen van de regionale reinigingsdienst door ons dorp om de kerstbomen van Anno Domini 2009 op te halen. Dat deed me denken aan een vermakelijke gebeurtenis in mijn tijd als stadverslaggever in Eindhoven.
Een plaatselijke schoonheid – laat ik haar Corrie noemen — maakte het op de vooravond van Kerstmis uit met haar vriendje – laat ik hem Joop noemen. Op Driekoningen verscheen in mijn krant een kleine annonce: ‘KERSTBOMEN GEVRAAGD. Ik betaal f 2,50 voor uw kerstboom, groot of klein. Te bezorgen bij: …’
U voelt ‘m al: de annonce was opgegeven door Joop en het vermelde adres was dat van Corries ouders. Destijds, begin jaren ’50, was een riks een aardige zakcent. En zo togen tientallen jongelui met een kerstboom naar huize Corrie. Waar zij werden afgepoeierd door een steeds woedender wordende vader. En uit ergernis over hun vergeefse sleeptocht de boom voor zijn huisdeur kieperden.
Rond die tijd had mijn krant ook een annonce van een snaak: ‘TE KOOP. Kerstboom. Zo goed als nieuw. Slechts twee maal onder gezongen.’

Ik was acht – Sinterklaas 1942

Door Henk, 5 december 2009

Evenals dit jaar viel in 1942 Sinterklaas op een zondag. Vroeger vonden de kinderen op 6 december hun cadeautjes in hun klomp, terecht, want Nicolaas van Myra viert zijn feest op die dag van de heiligenkalender; de later populair geworden pakjesavond is de vigilie (nachtwake) van zijn feest.

Even na half 1 (ik zat met mijn geschenk te spelen: een achtbaan, een blikken treintje met veerwerk en een kartonnen bouwplaat van een station) begon het heel in de verte te rommelen, steeds harder, steeds dreigender. Nu ja, het was oorlog. De radio meldde niets; het nieuws was trouwens so wie so onbetrouwbaar, omdat de voorziening van a tot z in handen was van de Duitse bezetter. Een paar uur later werden we opgeschrikt door luid geschreeuw. Een jonge kerel stormde onze straat binnen: ‘Verschrikkelijk! Ontzettend! Eindhoven is gebombardeerd. De hele Demer staat in brand. De hele Fellenoord ligt in puin.’

Britse eskaders hadden het gemunt op de Philips-fabrieken, waar producten van strategisch belang voor de oorlogsvoering, radiobuizen vooral, werden gemaakt. Bombardementen waren in die tijd nog notoir onnauwkeurig en zo kwam een-vijfde van de brand- en brisantbommen op het winkelcentrum van de stad en een volksbuurt in het stadsdeel Woensel terecht. Er vielen 138 doden. 10 personen zijn nooit gevonden. 161 raakten zwaar gewond. Ook de materiële schade was enorm: 107 woningen en 96 winkels met de grond gelijk gemaakt, 4.400 percelen beschadigd.

Wat het Philips-complex betreft: het hoofdgebouw was verwoest, de buizenfabriek uitgebrand, de voorraadloodsen, de bakelietafdeling en de lampenfabriek lagen goeddeels in puin, doch al met al viel de schade mee.

Het had maar weinig gescheeld of de Britten hadden hun aanval moeten afblazen. Naderend boven België, moesten zij een flauwe bocht naar bakboord maken om de spoorlijn naar Eindhoven aan te snijden. Die konden zij echter aanvankelijk niet vinden. Tot de commandant de rookpluim van een trein zag en zo het gewenste oriëntatiepunt ontdekte.

Een bekende Eindhovenaar, de antiquair Dré Meerhoff, zat in de kerk, toen de bommenregen losbarstte. Hij stormde door rook en vuur naar zijn huis, maar vond nog slechts een muur, die hij alleen herkende aan een kruisbeeld en zijn trouwfoto. Enkele weken later kwamen de deken van de Eindhovense clerus en een commissaris van politie hem vragen de resten van zijn echtgenote te identificeren. ‘Droeg je vrouw jarretellen,’ vroegen ze. Die droeg ze. Zo ging het. Het was pover wat ze lieten zien, het zou alles bij elkaar in een klein mandje zijn gegaan. Maar ik heb ze kunnen begraven.

Voor de statistiek: ook 7 Duitse militairen van de luchtafweer vonden de dood. Van de 93 bommenwerpers  ging 40 procent verloren.

Noot: Enkele gegevens heb ik ontleend aan A. Korthals Altes, Luchtgevaar — luchtaanvallen op Nederland 1940-1945; Sijthoff, 1984.

(vandaag, 5 december 2009, ook geplaatst op henkgrasduint.web-log)

Panorama Theme by Themocracy