Klaverjassen
Met studeren had het in het geheel niets van doen. Maar het was toch een ijzeren voorwaarde om de avonden op een koude kamer alleen achter de boeken te kunnen doorbrengen. Voor ons althans wel. En daarom troffen we elkaar drie, vier keer per week een paar uur in de vooravond na het eten bij Hoppe op het Spui in Amsterdam. Want we wilden toch een huiskamergevoel met elkaar delen, Cor, Simon, Guus en ik, jongens uit de provincie die zo maar in de grote stad waren verzeild geraakt en enig houvast zochten en nodig hadden. Dus werd dat bruine café de plaats om naast ons obligate debat over de actualiteit van de dag met elkaar een kaartje te leggen, om te klaverjassen. Zo behoorden we al snel tot de vaste klantenkring, wat zijn subtiele bekroning kreeg in een reeks van stappen, te beginnen bij het moment waarop elke ober onze voornamen kende en wist wat ons gebracht moest worden, tot aan de speciale bereiding van de koffie toe. Waarmee we dus al half en half glorieerden en ons een eind op weg waanden naar de verkrijging van de speciale status die je toch bij een café als Hoppe destijds moest verdienen en waarop de eigenaar, Harry Mustert himself, nauwgezet toe bleef zien.
Dus kon het uiteindelijk, o dag van triomf, gebeuren dat wij onze vaste tafel kregen. Niemand die het in zijn hoofd durfde of moest halen om eraan te gaan zitten als wij er werden verwacht. Wij hadden onze plek verworven, veroverd, om die een paar jaar niet meer af te hoeven staan. Het aantal spellen dat er door ons is gespeeld, moet in de duizenden hebben gelopen en onze reputatie had zich gevestigd, was mijn stellige gedachte. Maar alles vervliegt en verandert, zelfs het oudste bruin van café Hoppe, dus ook de herinnering aan het verleden, merkte ik toen ik daar weer eens belandde na er bijna veertig jaar niet meer te zijn geweest. Eén ding bleek de tand des tijds te hebben doorstaan. Ons kaarttafeltje stond nog steeds op dezelfde plaats en oogde precies zoals op die novemberavond in 1969, toen we er voor het laatst van waren opgestaan. Zelfs het hoekje rechtsboven in de glasplaat erop kende nog altijd die kras die ook in mijn geheugen bleek te zijn gegrift. Ik zette mij eraan en dacht aan al die kaarten die ik er heb geschud. Niemand die ik ken, die er even handig mee is. Waarmee al die koppen koffie en vaasjes Amstel toch nog wat hebben opgeleverd, mag ik nu dus wel licht melancholisch zeggen.
(eerder geplaatst 28 maart 2008 op robhamilton.web-log)


Een herinnering die niet zal slijten gezien de lange periode
Dat was zeker een mooie tijd? Althans, de kaarturen bij Hoppe.
Deze naam vind je terug in heel wat boeken en biografiën die over de studentenjaren gaan, al dan niet van bekende Nederlanders; een begrip naar het scheen.
Na veertig jaar een bezoekje, viel het niet tegen? Als ik denk aan het weerzien met mijn eigen geboorteplaats en omgeving… het viel niet mee!
Dit is goud waard.
In 1969 (het kan ook 1970 geweest zijn) waren we voor het eerst en het laatst in Hoppe op het Spui. Ik meen me te herinneren dat het er stampvol was. Oja, er was nog een leeg tafeltje, maar daar mochten we niet gaan zitten. Toen zijn we maar weer naar Scheltema gegaan.
Ik heb zelf zo ongeveer 6 jaar in A’dam gewoond en weet dus, dat dit een grote triomf is.De Amsterdammers zijn met zulke dingen niet lichtzinnig. Misschien nog wel een grotere triomf dan het afstuderen zelf?
Dan is het knap dat je het zover hebt geschopt, Rob.
Maar jullie hebben er dan ook veel kaartjes voor moet leggen:-)
Dat is bijzonder zeg, dat dat tafeltje er nog staat. Doet me denken aan mijn studentenflat waar ik enkele jaren geleden voor het eerst sinds twintig jaar weer was. Een deel van het meubilair, dat toen al oud was, stond er nog steeds.