Berichten met de tag:eten-en-drinken

Voor het eerst bij de Chinees

Door Alice, 31 mei 2010

Mijn ouders hadden vrienden in Hoogvliet. Wij zijn daar eens een keer wezen logeren. In Rotterdam gingen we naar Ter Meulen. We kenden dat wel van Ter Meulen post, dat blaadje kregen we per post en er werd regelmatig wat uit besteld. Tjonge jonge wat was dat groot! We hadden helemaal geen tijd om alles te bekijken. De mannen gingen naar de foto-afdeling en de dames naar de handwerkafdeling.

Daarna gingen we naar de Chinees. Daar waren we nog nooit geweest. Mijn vader lustte het niet zei hij, hij had het nog nooit gegeten, maar ze hadden ook patat. De Chinees heette, hoe origineel, de Chinese Muur of de Muur, dat weet ik niet meer. Ik herinner me ook niet wat ik gegeten heb, in ieder geval bami. Er stond ketjap op tafel. Daar hadden we nog nooit van gehoord. En dan had je ook nog twee soorten, wat een dilemma.

We hebben verder nooit Chinees gegeten, we haalden sowieso nooit eten, zelfs geen patat bij de cafetaria. Mijn moeder maakte alles zelf, patat werd ook zelf gesneden.

Mijn vader vond het zelfs een schande dat mijn Duitse juf, die in de straat naast ons woonde, naar de cafetaria ging om terug te komen met zo’n mooie rood geruite zak. Dat deed een lerares niet in zijn beleving. Net als dat spijkerbroeken alleen weggelegd waren voor stratenmakers en de dokter een witte jas aan hoorde te hebben en niet een leren vest zoals onze huisarts.

Van jampot likkelik en boterhammen met tevredenheid

Door Dwarsbongel, 1 april 2010

Mijn moeder en ik woonden bij opa en oma, de ouders van mijn moeder. Opa was gepensioneerd, nadat hij van 1907 tot 1940 het eerste hoofd van de School met den Bijbel was geweest in Nieuw Amsterdam. We hebben het over de periode vanaf 1948, dus volop in de wederopbouw na “De Oorlog”. In de beginjaren was oma ook leerkracht aan diezelfde school. Nee, ze waren al getrouwd voordat opa zijn aanstelling kreeg.
In die tijd dienden de leerlingen nog netjes met de armen over elkaar te zitten en braaf te luisteren. De klassen waren groot, dus als onderwijzer moest je streng zijn.
Ik herinner me opa en oma als “streng maar rechtvaardig”.
Het gezin van opa en oma was ook groot geweest. Er waren negen kinderen uitgevlogen en hadden inmiddels zelf gezinnen gevormd. Eén dochter woonde nog thuis, en er kwam dus één dochter met kroost terug.

De regels waren duidelijk. Tussen de middag werd warm gegeten op een vast tijdstip, bepaald door de klok van de fabriek waar mijn moeder werkte, en de klok van mijn school. Het was een met tegenzin toegestane afwijking van het exacte tijdstip van twaalf uur.
‘s Avonds werd er om klokslag zes uur brood gegeten. Iedereen diende dan met (aanvankelijk nog onder de pomp!) gewassen handen aanwezig te zijn.

Ofschoon opa en oma niet tot een armoedige klasse gerekend hoefden te worden, werd ik opgevoed tot het besef dat decadentie verre van ons diende te blijven. Ik mocht brood met beleg, als ik eerst twee “boterhammen met tevredenheid” had gegeten: behalve boter mocht daar niets op. Daarna had ik meestal keuze uit jam, kaas en bruine suiker. Soms was er vleesbeleg of een soort zelfgemaakte hüttenkäse.
De pot met bruine suiker stond altijd naast opa’s bord. Een lage, brede glazen suikerpot op een vernikkelde schotel en met een vernikkeld deksel waarin een uitsparing voor de suikerlepel.

Het huis van opa en oma was uiteraard de centrale plaats in de familie. Er werd altijd een oplossing gevonden voor het, soms grote, aantal eters. En iedereen wist, dat opa de bruine suiker beheerde. Zo werd een neefje van een jaar of acht, weer in zijn thuisdorp in het westen des lands, door zijn moeder naar de winkel gestuurd om bruine suiker te halen. Het was in de tijd dat nog niet iedere zoutkorrel apart in plastic verpakt was met merknaam, maar veel producten nog los uit een vak of ton in een universele verpakking werden geschept. Hij kwam onverrichter zake terug, want die “domme” kruidenier wist niet eens wat “opa-suiker” was…

En hoe kom ik er nu ineens toe om dit verhaal op te schrijven? Ik ben de laatste tijd weer eens helemaal aan de aardbeienjam en onze jampot was leeg. En in een lege jampot zit altijd nog jam. Dat was vroeger feest: met stukjes brood en een vork mocht ik dan de jampot schoonmaken. Na het eten. Het laatste er uit halen. Jampotten werden toen nog afgewassen en ingeleverd voor het statiegeld.
Op de stukjes brood waarmee ik de jampot schoonmaakte, zat de jam dikker dan ik gewoon op brood mocht doen. Zou mijn tante daar iets mee te maken gehad kunnen hebben?
Ik hoorde ineens dat oude kinderliedje, met dat refrein:

Van jampot jampot likke likke lik
En daarom ben ik hier

Grappig, dat je dat zomaar kunt terugvinden op internet! Maar opa’s suikerpot heb ik niet kunnen terugvinden.

Ik heb onze lege jampot schoongemaakt met stukjes brood en een vork.

Decadent, he?

(eerder geplaatst op 29 maart 2010 op dwarsbongel.web-log.nl)

Hou je bord eens bij

Door Wieneke, 3 december 2009

Als kind was ik een puur slechte eter, dus zat ik vaak met lange tanden aan tafel. In de jaren vijftig hadden erg veel Nederlanders en vooral de mensen uit de Randstad, die toen nog niet zo heette, de verschrikkelijke hongerwinter 1944/1945 nog stevig op het netvlies staan. Logisch dus, dat goed en veel eten erg belangrijk werd gevonden. Ik denk dat zowat iedere ouder in die tijd hamerde op het aambeeld van ‘bordje leegeten en niet zeuren’. Zelf opscheppen? Nou, dat mocht in ons gezin pas als je 13+ was. Dus kreeg ik altijd veel te veel op mijn bord, want mijn moeder had absoluut geen hohouwer. Of althans ze gebruikte hem niet. ‘Hou je bord bij’, zei ze en gaf hem dan van Jetje. ‘Dankuwel, dankuwél, mamma, ho maar, ik heb echt genoeg…..’, zei ik dan wanhopig, maar ze schepte door totdat zij het genoeg vond. En dat was dus veel later dan dat ik het genoeg vond. Pure terreur, maar wel van het liefhebbende soort. Slechts één keer heb ik mijn bord eerder teruggetrokken. Mijn moeder luisterde weer eens niet naar mijn gesmeek en schepte unverfroren door. Het mooie geborduurde tafellaken zag er niet uit.

Brood eten was niet zo’n probleem, maar de warme maaltijd was meestal gedoe. Mijn oudere broer was nog erger dan ik. Gék werd mijn moeder af en toe van ons. Want ze was – dat erken ik nu volmondig – een hele beste kokkin. Ze maakte altijd veel werk van het eten, terwijl ze het toch razend druk had. In plaats dat ze ons in ons zeursoppie liet gaarkoken, ging ze er telkens een enorm punt van maken. En haar toespraken begonnen dan altijd met: ‘In de hongerwinter zouden we dolgelukkig zijn geweest met…….’, vul de groente of het vlees maar in. Wat kon mij dat nou schelen? Ik ben zeven jaar ná de hongerwinter geboren en ik hield alleen maar van gekookte andijvie en worteltjes. Nou vooruit, niet al te lang gekookte zuurkool en kropsla gingen er ook nog wel in. Maar dan had je het wel gehad. Vlees en vis hoefde ik ook niet en van aardappelen griezelde ik. Kortom, ik bliefde meer niet dan wel. Oh ja, mijn moeders zelfgemaakte kalfskroketjes en een gekookt eitje, dat vond ik ook wel lekker. Geen wonder dat ze wanhopig werd van ons. Eerst had ze de ellende met mijn broer gehad. Hij kwam dan thuis uit school, pletterde zijn boekentas in de hal, zei hallo en vroeg  steevast: ‘Wat eten we, ma?’ Zijn en mijn moeder noemde dan braaf op wat ze van plan was om die avond op tafel te werpen. Standaard kreeg ze als commentaar: ‘He bah’. Behalve als er patat werd gebakken, dan zei hij: ‘Dat is wel lekker.’En toen mijn broer eindelijk een beetje een normaal mens werd, kwam ik er achteraan met precies hetzelfde gedrag.

Het is in dat opzicht helemaal goed gekomen met mij. Nu eet ik bijna alles met smaak. Alleen geen spruitjes, garnalen en mosselen.

(eerder geplaatst op 18 juni 2008 op hettweededeel.web-log)

Panorama Theme by Themocracy