Berichten met de tag:familie

mijn vader

Door Mary, 1 september 2010

Ik was 9 jaar toen mijn vader ziek werd. Nu was hij wel vaker ziek maar deze keer was het erg. We moesten stil zijn en er hing zo’n rare, beklemmende sfeer in huis. Midden in de nacht (in mijn herinnering dan, misschien was het wel gewoon ‘s avonds) werd ik wakker. Het licht in de gang brandde en ik hoorde vreemde stemmen en een geluid alsof er iets naar boven werd gesleept. Af en toe hoorde ik mijn vaders stem die antwoord gaf. Om een onverklaarbare reden raakte ik in paniek. Ik begreep er niets van en die rare geluiden die ik hoorde maakten het er niet beter op. Toen hoorde ik voetstappen die stopten voor mijn slaapkamerdeur en ik hoorde mijn vaders stem die zei: Ik wil nog afscheid nemen van mijn kinderen, dat mag toch wel?

Mijn hart klopte in mijn keel, afscheid nemen??? Waarom? Waar ging hij dan heen? Ik deed mijn ogen stijf dicht toen mijn vader in het donker naar mijn bed toe liep. Hij streelde mijn haar en aaide me over mijn wang. Hij snikte zachtjes, draaide zich toen om en liep mee met twee mannen in witte kleren die hem tot spoed maanden. Mijn keel werd helemaal dichtgeknepen. Wat gebeurde er toch allemaal? Toen mijn vader de deur achter zich dichtdeed liet hij mij huilend achter.

De volgende morgen hoorde ik dat mijn vader in het ziekenhuis lag. Met spoed opgenomen en ‘s nachts nog geopereerd. Nu wist ik het zeker. Mijn vader ging dood, nu had ik alleen nog maar een zus en was ik werkelijk het meest beklagenswaardige kind die maar bestond. En het ergste was nog wel dat ik hem niet mocht opzoeken in het ziekenhuis. Vroeger had je die achterlijke regels nog dat jonge kinderen niet op bezoek mochten bij een zieke, inmiddels is dat gelukkig veranderd.

Toch ging ik stiekem naar het ziekenhuis, sloop door de gang en stond voor de deur waar achter mijn vader lag. Ik wist dat hij er erg aan toe was en had geen idee wat ik zou aantreffen maar ik wou hem zo graag nog een keer zien voor hij dood ging. Mijn hart bonsde keihard toen ik zacht de deur opendeed en wat ik zag was nog erger dan ik verwacht had. Mijn arme vader aan allerlei slangetjes en apparaten. Maar het wonder gebeurde. Hij opende zijn ogen om te zien wie daar aan kwam en de laatste persoon die hij verwachtte was wel zijn dochter van 9. En warempel, hij lachte. Hoe kom jij hier? vroeg hij verbaasd en toen ik in snikken uitbarstte en bekende dat ik stiekem was gekomen om hem nog een keer te zien voor hij dood ging, en dat hij vooral niet boos moest zijn omdat ik ongehoorzaam was geweest, pakte hij mijn hand en streelde die zacht. Ik ben helemaal niet van plan om dood te gaan, zei hij, hoe moet het dan met jou? Dat kan toch niet?

Op dat moment kwam er een verpleegster binnen die me ruw bij mijn arm pakte en naar buiten gooide. Wat ze me allemaal toeriep hoorde ik niet eens meer, mij boeide het niet dat ze boos op me was, ik had mijn vader gezien en die had me beloofd om niet dood te gaan! En dat was het belangrijkste.

Jaren later belde hij me op. Ik was inmiddels getrouwd en had een paar kinderen. Ik was hevig ongerust over de gezondheid van mijn vader, vond hem er slecht uitzien en ik begon in mijn hart al angstig aan het ergste te denken. Hij zou toch geen enge ziekte of zo hebben? Maar hij belde en stelde me gerust. Er was helemaal niets met hem aan de hand, er waren wat zaken waar hij zich erg druk over had gemaakt, dat was alles. Lieve help, ik kon wel janken. Gelukkig, niets aan de hand, stress. Nu, we moesten met zijn allen maar heel lief voor hem zijn, dan kwam dat ook wel weer goed. Hij beloofde rustig aan te doen en we spraken af elkaar heel gauw weer te zien.

Twee dagen later ging weer de telefoon. Deze keer was het midden in de nacht. De stem aan de andere kant vertelde me wat er met mijn vader was gebeurd. Hij had na een avondje uit nog tegen mijn stiefmoeder gezegd wat een heerlijke dag het was geweest. Overdag fijn gevist, zijn hobby, en ‘s avonds gezellig uit. Ga jij maar vast naar boven, zei hij, dan sluit ik wel af. Terwijl mijn stiefmoeder naar boven liep, hoorde ze een harde klap. Toen ze naar beneden ging, lag mijn vader op de grond. Ze hoefde geen dokter meer te bellen.

Wat ik als klein meisje gevreesd had, was nu gebeurd. Ik had geen vader meer. De vraag die hij toen gesteld had: Hoe met het dan met jou? kwam weer boven. Maar ik was nu geen klein kind meer, maar een volwassen vrouw. Het zou ooit wel weer goed met me gaan. Alleen, er zijn mensen die kun je nooit missen. En daar was hij een van.

(eerder geplaatst op www.marflor.punt.nl)

Pa

Door Frouckje, 16 mei 2010

Het was een paar dagen voor zijn dood dat pa en ik naast elkaar van een speciaal voor hem door mij gebrouwen tomatensoepje zaten te smikkelen. Een beproefd recept. Niets meer of minder dan een aftreksel van verse tomaten, een uitje en selderij. Niks geen poespas, helder en gezond. ‘Echt iets voor pa’, zo had ik bij mijzelf gedacht. En dat was ook zo, pa genoot ervan. ‘Lekker fris’, oordeelde hij.

Zo kwamen we op het onderwerp koken terecht. Ik vertelde pa dat ik een hele leuk kookboek had geleend bij de bibliotheek. Met allemaal leuke recepten en tips. Bijvoorbeeld hoe je een biefstukje moet bakken. Omstandig vertelde ik pa dat je eerst de olie of boter goed moet verhitten. Dan de biefstukken aan beide kanten een minuutje bakken. Vervolgens twee minuten laten rusten en het vuur lager draaien. Tenslotte het stukje vlees volgens enkele vuistregels naar believen doorbakken. ‘O’, zei pa, die aandachtig had geluisterd: ‘Dat wist ik niet. Mmm, ik hou van redelijk doorbakken biefstuk. Dus dan moet ik het zo en zo doen’. Eventjes leefde pa op. ‘Ik zal het onthouden.’

Ik had pa nog vele lekkere biefstukjes gegund. Maar het zat er bij voorbaat al niet meer in. Een dag of wat na ons kleine, maar waardevolle gesprekje hield pa zijn eten niet meer binnen. Hij haalde niet eens meer het einde van de week. Nog niet oud en zo heftig uit het leven geplukt. Maar voor dat ene, korte moment was pa het ziek-zijn even vergeten en werd een herinnering geboren die ik zal koesteren.

(eerder geplaatst op 16 juli 2007 op vroukje.web-log.nl)

Oom Hendrik huilde

Door Wieneke, 9 mei 2010

Mijn oma van moederszijde was een echte lieverd. Ik heb haar slechts acht jaar meegemaakt, maar ik kan me haar nog herinneren. Ze was altijd opgewekt en vriendelijk, ondanks het feit dat ze bijna niet kon lopen en ernstige staar had, zo erg dat ze bijna niets meer kon zien. Ik zie haar nog voor me als ze zat te lezen met behulp van een loep. Maar zelfs dat ging op een gegeven moment ook niet meer. Tegenwoordig ben je in ca. 20 minuten van staar afgeholpen, maar in die tijd was er niets aan te doen. Je werd gewoon blind.

Mijn oom Hendrik, haar op een na jongste zoon, had het altijd erg druk. Hij deed belangrijke dingen in een Rotterdamse voetbalvereniging, dreef een goedlopende zaak en had een gezin. Hij was – zoals alle broers van mijn moeder – een vierkante kerel om te zien en ook qua karakter. Beresterk was hij ook.  De hele familie van mijn moeder bestond uit harde werkers, maar men maakte toch altijd wel tijd vrij om regelmatig bij mijn oma langs te gaan. Dat was geen straf, want ze was – zoals gezegd – erg lief, kon heel goed luisteren en bemoeide zich nooit met de gang van zaken in de diverse huishoudens. Dus de ‘kouwe kant’ droeg haar ook op handen. Ze had zes kinderen en die woonden allemaal met hun gezinnen in Rotterdam. Oom Hendrik was eigenlijk de enige, die nogal eens verzaakte om zijn moeder te bezoeken. Drukdrukdruk, he?

Op een keer kwam hij na lange afwezigheid binnen, terwijl mijn moeder en ik toevallig bij mijn grootmoeder op bezoek waren. Oma begroette hem vriendelijk en vroeg mijn moeder om een kopje thee voor haar broer in te schenken. Oom Hendrik had een papieren zak bij zich met daarin een paar schoenen, die hij liet zien. Ja, hij was net nog even langs de schoenmaker geweest, die de boel weer keurig in orde had gemaakt. Oma zei zo langs haar neus weg: ‘Zo jongen, nou, die schoenen heb je in ieder geval niet versleten met naar je moeder toe te wandelen.’ Oom Hendrik werd opeens knalrood in zijn gezicht en zweeg. Ik vond dat zeer interessant, want ik bloosde zelf toentertijd erg snel en dan is het altijd leuk als een volwassene dat ook eens heeft. Hij zat zwijgend een tijdje op zijn handen te kijken. Die oma toch. Alsof er niets gebeurd was, vervolgde ze rustig het gesprek. Toen ze niet zo erg lang daarna overleed, zat oom Hendrik een paar dagen na de begrafenis bij ons thuis te snikken. Hij had het zo erg gevonden, dat zijn moeder dat tegen hem had gezegd. ‘Zus, Ma was zo’n schat en ik ben toch zo’n stomme hufter geweest.’

Ik werd natuurlijk meteen de kamer uitgestuurd, want zo ging dat in die tijd, maar ik heb het  lekker toch gezien en gehoord. Een huilende grote oom! Jemig!

Uitje

Door Martine, 2 mei 2010

Het is een mooie zomerdag en we sjouwen met zijn vieren door Madurodam. Noortje in de buggy, want net 1 jaar, Bart los, met Pip de knuffel als stevig houvast.
Hollands erfgoed in miniatuur, beroemde gebouwen, de havens, allemaal tot je dienst, maar de treinen zijn toch wel het allermooist. Hij kan er maar geen genoeg van krijgen, en als we helemaal rond zijn geweest, en Noor allang ligt te slapen in haar karretje, wil hij wel nog een keer. Het liefst bij een tunnel, en dan voorspellen wanneer de trein komt. En welke.
En dus ben ik zo gek niet, of ik ga samen met mijn stuiterende zoontje nog een tweede rondje door het warme drukke park.
Leo niet, die nestelt zich samen met Noor en een koud biertje op het terras..

Wanneer we uitgekeken zijn (of eigenlijk alleen ik, Bart kan door tot hij erbij neervalt) en we het terras oplopen, staat Leo’s gezicht op standje verontwaardigd. En met rode wangen vertelt hij wat hem overkomen is:

Noor had niet lang liggen slapen en was overgegaan op haar favoriete spelletje van die dag; het weggooien van haar lievelingsbeer en dan pappa laten apporteren. Maar ja, pappa was gekke Henkie niet, dus na de derde keer deed hij of zijn neus bloedde en liet de knuffel liggen. Hij genoot van de zon en zijn biertje en zag zijn dochter met haar ongeduldig priemende vingertje gewoon even over het hoofd. Helaas had hij niet gerekend op de twee goedbedoelende dames aan het tafeltje naast hem…
“Opa, uw kleindochter heeft haar beer laten vallen hoor!”

Há! Dat krijg je ervan. Had hij maar nog een rondje met Bart moeten lopen, eigen schuld, dikke bult! En gierend van de lach ga ik nog even naar de WC voordat we Madurodam verlaten…

Logeren bij oom en tante

Door Alice, 18 april 2010

Als mijn ouders met vakantie gingen, busreizen naar Oostenrijk, ging ik altijd bij mijn oom en tante in Loenen aan de Vecht logeren. Oom haalde dan, als het mogelijk was, “ergens” zand vandaan. Indertijd had ik geen idee waar hij het vandaan haalde, nu snap ik dat het “ergens van de bouw” vandaan gekomen moet zijn. Dat werd dan in een teiltje gedaan en dat was mijn zandbak. Als het heel mooi weer was werd er water in het teiltje gedaan en mocht ik daarin met mijn vriendinnetje spelen.

Mijn vriendinnetje kon mijn naam niet uitspreken, dus maakte ze er Asseliene van…

En als ze geen zin meer had om met mij te spelen zei ze altijd dat ze thuis “drukken” moest en kwam dan daarna niet meer terug. Niet dat ik dat in die tijd doorhad: ik zat nog een hele tijd te wachten.

Ik mocht met tante mee naar de slager. Ik mocht dan zeggen wat ze wilde hebben: buffeltjesvlees. Corned beef was nog te moeilijk voor mij. En bij vertrek kreeg ik een ijsje: de helft van zo’n waterijsje waar 2 stokjes inzitten. Dat brak de slager dan doormidden.

We gingen soms ook bij de woonboten kijken, dat vond ik altijd leuk. En als het heel mooi weer was en tante zin had, want het was een heel eind lopen, gingen we naar de brug. De brugwachter wierp dan een hengel met daaraan een klomp naar de boten en de mensen op de boot moesten daar dan geld in doen, dan werd de brug geopend. Ik vond het het leukste als de mensen op de boot niet erg handig waren en de klomp maar steeds niet te pakken kregen zodat de brugwachter de hengel vaak opnieuw moest uitwerpen.

Vriendenschaar

Door Rob, 12 april 2010

Het was de tijd dat je als kind gelukkig nog kind mocht zijn, dat er alleen op zondagmiddag werd gevoetbald en dat de tijd nog de tijd had. Het zal zo in het begin van de vijftiger jaren zijn geweest, de jaren waarin alleen maar werd gefietst of gelopen en je verder thuis leefde bij de radio, die houten kast die je verbond met de wereld en het leven wat kleur gaf en met het zondagse voetbal de monotonie van het leven doorbrak. Want jaren achtereen, zeg maar vanaf mijn zesde, zevende jaar, was de zondagmiddag hét moment van de week, als we om ongeveer kwart over één weer vol verwachting op pad gingen naar de Westersingel, waar Vriendenschaar zijn competitiewedstrijden speelde, welke precies als de klok op de vierkante toren twee sloeg, begonnen.

Met mijn handen in die grote van hem togen mijn vader en ik daarheen dus op pad. Veel werd er niet gezegd. Mijn vader was niet zo’n prater en ik was er nog te verwonderd voor en keek liever om mij heen, naar het Voorburg, Spoor’s Mosterd, de Kattenstraat, de melkfabriek, om langzamerhand in het toestromend publiek opgenomen te worden en aan te sluiten in de rijen die langs de kassa’s bij het voetbalveld schuifelden. Er werd nog gedempt met elkaar gesproken, want zo ging dat toen nog, zoals iedereen zonder veel omhaal van woorden zijn plaatsje zocht langs de hekken om het groene gras. Wij ook op onze vaste plek, met de spoordijk achter ons en ik nog eens extra beschermd met mijn vader daartussen.

En in zijn schaduw – kon het nog veiliger – zag ik die helden die nog zo ver weg en onaantastbaar voor mij waren. Het blauw en zwart maakte Jan Bronk, Bart van den Ham, Karel Smits, om er maar eens een paar te noemen, zo groot dat dat hun tegenstanders wel ontzag in moest boezemen, dacht ik in mijn kinderlijke onschuld die nog zijn plaats mocht hebben tussen al die volwassen mannen. De werkelijkheid was vaker anders, moest ik bij herhaling ervaren als Vriendenschaar tot mijn bitter verdriet verloor, wat de weg naar huis stukken langer maakte. Zo zat de wereld van mij toen wel in elkaar. En in de herinnering daaraan is nu nog slechts plaats voor zwart- en grijstinten, maar nog veel meer voor het gevoel van behagen en bescherming dat mijn vader mij daar langs die lijn wist te geven als hij op zo’n steenkoude winterse middag met zijn handen mijn oren warmde. Misschien wel het beste wat hij mij heeft gegeven. Want je blijft toch in wezen altijd vervuld van dat stille verlangen, van die heimwee daarnaar.

(eerder geplaatst 8 september 2007 op robhamilton.web-log)

Van jampot likkelik en boterhammen met tevredenheid

Door Dwarsbongel, 1 april 2010

Mijn moeder en ik woonden bij opa en oma, de ouders van mijn moeder. Opa was gepensioneerd, nadat hij van 1907 tot 1940 het eerste hoofd van de School met den Bijbel was geweest in Nieuw Amsterdam. We hebben het over de periode vanaf 1948, dus volop in de wederopbouw na “De Oorlog”. In de beginjaren was oma ook leerkracht aan diezelfde school. Nee, ze waren al getrouwd voordat opa zijn aanstelling kreeg.
In die tijd dienden de leerlingen nog netjes met de armen over elkaar te zitten en braaf te luisteren. De klassen waren groot, dus als onderwijzer moest je streng zijn.
Ik herinner me opa en oma als “streng maar rechtvaardig”.
Het gezin van opa en oma was ook groot geweest. Er waren negen kinderen uitgevlogen en hadden inmiddels zelf gezinnen gevormd. Eén dochter woonde nog thuis, en er kwam dus één dochter met kroost terug.

De regels waren duidelijk. Tussen de middag werd warm gegeten op een vast tijdstip, bepaald door de klok van de fabriek waar mijn moeder werkte, en de klok van mijn school. Het was een met tegenzin toegestane afwijking van het exacte tijdstip van twaalf uur.
‘s Avonds werd er om klokslag zes uur brood gegeten. Iedereen diende dan met (aanvankelijk nog onder de pomp!) gewassen handen aanwezig te zijn.

Ofschoon opa en oma niet tot een armoedige klasse gerekend hoefden te worden, werd ik opgevoed tot het besef dat decadentie verre van ons diende te blijven. Ik mocht brood met beleg, als ik eerst twee “boterhammen met tevredenheid” had gegeten: behalve boter mocht daar niets op. Daarna had ik meestal keuze uit jam, kaas en bruine suiker. Soms was er vleesbeleg of een soort zelfgemaakte hüttenkäse.
De pot met bruine suiker stond altijd naast opa’s bord. Een lage, brede glazen suikerpot op een vernikkelde schotel en met een vernikkeld deksel waarin een uitsparing voor de suikerlepel.

Het huis van opa en oma was uiteraard de centrale plaats in de familie. Er werd altijd een oplossing gevonden voor het, soms grote, aantal eters. En iedereen wist, dat opa de bruine suiker beheerde. Zo werd een neefje van een jaar of acht, weer in zijn thuisdorp in het westen des lands, door zijn moeder naar de winkel gestuurd om bruine suiker te halen. Het was in de tijd dat nog niet iedere zoutkorrel apart in plastic verpakt was met merknaam, maar veel producten nog los uit een vak of ton in een universele verpakking werden geschept. Hij kwam onverrichter zake terug, want die “domme” kruidenier wist niet eens wat “opa-suiker” was…

En hoe kom ik er nu ineens toe om dit verhaal op te schrijven? Ik ben de laatste tijd weer eens helemaal aan de aardbeienjam en onze jampot was leeg. En in een lege jampot zit altijd nog jam. Dat was vroeger feest: met stukjes brood en een vork mocht ik dan de jampot schoonmaken. Na het eten. Het laatste er uit halen. Jampotten werden toen nog afgewassen en ingeleverd voor het statiegeld.
Op de stukjes brood waarmee ik de jampot schoonmaakte, zat de jam dikker dan ik gewoon op brood mocht doen. Zou mijn tante daar iets mee te maken gehad kunnen hebben?
Ik hoorde ineens dat oude kinderliedje, met dat refrein:

Van jampot jampot likke likke lik
En daarom ben ik hier

Grappig, dat je dat zomaar kunt terugvinden op internet! Maar opa’s suikerpot heb ik niet kunnen terugvinden.

Ik heb onze lege jampot schoongemaakt met stukjes brood en een vork.

Decadent, he?

(eerder geplaatst op 29 maart 2010 op dwarsbongel.web-log.nl)

Mijn zusje en ik

Door Marijke, 19 maart 2010

We speelden samen met nog een buurtvriendinnetje in het park. Het was eerste Paasdag 1953.

Een meneer verstoorde ons spel en verzocht ons bij een grote boom te gaan staan om ‘een mooie foto’ van ons te maken. We vertrouwden hem niet, want onze moeder had gezegd: ‘nooit spreken met, of iets aannemen van een vreemde meneer of mevrouw!’ Maar wij verstonden nog niet de kunst van het afwijzen. Volwassenen waren immers wezens waar je naar moest luisteren, zo waren wij geprogrammeerd. Voor het buurtvriendinnetje was de zaak heel duidelijk. Ze wist het zeker. Als een pijl uit haar boog rende ze naar huis, al schreeuwend: ‘dat is een vieze man die vieze dingen met je wil doen!’
Mijn zusje zei ‘ik geloof hem wel, hij wil echt alleen maar een foto maken en ik wil wel op de foto’, en ze ging al in poseerhouding voor de boom staan. Aarzelend, ook al omdat ik haar niet alleen wilde laten, voegde ik mij bij haar.
Tot mijn grote opluchting kwam de meneer een week later bij ons aan de deur met de foto. Onze moeder was er blij mee. En de meneer ook want de foto was niet gratis.




Het meisje met de strik ben ik.
De verwarring en achterdocht is op mijn gezicht te lezen..
Mijn zusje lacht onbevangen en voelt zich als een fotomodel..

(klik op de foto voor een groter plaatje)


(eerder geplaatst op dezonziijde.web-log.nl op 20 mei 2006)

Lolobal

Door Nanos, 15 maart 2010

Eén van de vele rages die we voorbij zagen komen, is die van de lolobal, een plastic schijf met boven- en onder een halve bal. Het is de bedoeling dat je je voeten op de schijf aan weerszijden van de halve bal plaatst en dan kun je met/op het geval springen.
Mijn jongste dochter was toen een jaar of zeven en zeurde me de kop gek om een lolobal. Ik zag het niet zo zitten met die dingen. En het was ook nog eens zo, dat zeuren een averechts effect had. De pret ging dus niet door.

We gingen in de tijd regelmatig naar de stad en op een van die keren gebeurde het, dat we langs Bart Smit kwamen en daar een papier op de etalageruit geplakt zagen. Doorgaans, als we dat al zien, is dat voor ons geen reden over te steken om te kijken wat het is. We moesten er voor naar de andere kant van de winkelstraat, die wel smal en alleen voor voetgangers, maar ook druk was.
Die keer deden we dat, zonder er een reden voor in ons hoofd te hebben.
Op het papier stonden een paar namen en een ervan was die van onze dochter. Er was iets geweest (een soort prijsvraag?) waar ze aan mee had gedaan. En ze had iets gewonnen!
Man en dochter verdwenen de winkel in, andere dochter en ik bleven buiten.
Ik zie nog het triomfantelijke gezicht waarmee het kind de winkel weer uit kwam. Je voelt het al: Haar prijs was een lolobal! Hij had een gele schijf en de bal was rood.
Het ding heeft daarna nog jaren bij ons in de garage gelegen. Er is veel mee gespeeld. En hij blééf maar heel.
Het kind ook, gelukkig.

(eerder geplaatst op 25 januari 2005 op mijn inmiddels verdwenen weblog)

Het Tennisclubje van mijn moeder

Door Thérèse, 13 maart 2010

Mijn drie broers en één zus waren nog jong en mijn moeder wat ouder dan wij, maar toch ook jong. Zij zat met andere dames op een tennisclubje. Over deze vriendinnen valt ook veel te vertellen, maar dat komt misschien nog wel eens. Jaren achtereen tennisten zij, tot mijn groot vermaak, met een lange witte plooirok aan, sommigen met fris weer met een pothoed op, waarbij mijn beste vriendin E. en ik dubbel lagen van het lachen. Wij mochten namelijk wel eens meedoen, als een van de dames verhinderd was. Wij sloegen dan slimpjes de bal in een onverwachte hoek tot hun grote verontwaardiging. Zij zeiden dan nogal boos, dat zij op die plaats niet stonden en hem zo onmogelijk terug konden slaan. Mijn moeder, die de jongste was, vergoelijkte het met een lachje en zei, dat zij immers al oud waren.

Op alle verjaardagen kwamen zij bij elkaar. Ook natuurlijk op die van mijn moeder. Mijn zusje en ik moesten overal voor zorgen. En wat wensten de dames? Eerst een lekker kopje thee met een gebakje. En dan – in een ander kopje – een heerlijk bakje koffie en een chocolaatje erbij. Mijn zusje en ik ergerden ons dood! Geen van beiden erg huishoudelijk ingesteld, moesten wij – totaal onnodig – extra kopjes afwassen.

Als zij afscheid namen, zei één dame (lerares en geen kinderen van haar zelf) steevast schalks tegen mijn broers: “….en geen vuurtje stoken, hoor jongens!” Mijn broers werden ouder en wachtten ieder jaar vol spanning af of zij het weer zou zeggen en ja hoor…zij zei het tot grote lol van ons natuurlijk. Wij waren allen zo beleefd om te wachten tot ze weg waren, maar dan rolden wij ook onder tafel van het lachen.

Hier een mooi groepsportret van het Tennisclubje in 1968 (foto Joop)
(klik op de foto voor een groter plaatje)

De tekening is gemaakt door Hans (Kwaster)


(eerder geplaatst op 15 juli 2006 op theresesatelier.web-log)

Panorama Theme by Themocracy