Berichten met de tag:kinderleed

Paardje

Door Lien, 25 maart 2010

Mijn moeder had haar vader nooit zien huilen. Dat dacht ze tenminste ten tijde van zijn overlijden (ik was toen twintig).
Maar ík had mijn opa wel degelijk huilend meegemaakt.
‘Weet je dat dan niet meer?’ vroeg ik mijn moeder.
‘Toen met dat paardje.’
‘Páárdje? Welk paardje?’

Mijn opa was een creatief mens. In zijn vrije tijd zat hij altijd te tekenen, te schilderen en soms zelfs te boetseren. In de huiskamer, maar ook vaak boven in zijn werkkamertje maakte hij de mooiste dingen.
Op een zondag, we waren met de hele familie bij opa en oma op de koffie, ontdekte ik een paardje in de vensterbank. Een paardje van klei. De nieuwste creatie van opa.
‘Wat een gek paardje’, vond ik en ik pakte het bij één been vast.
Hoe het precies gebeurde weet ik nog steeds niet maar tot mijn grote schrik brak het paardje en viel in gruzelementen op de grond.
Het was even stil, maar toen begon opa hard te huilen.
Het scheelde niet veel of ik huilde mee.
Ik weet nog wel dat mijn moeder en ik, als troost, de volgende dag een grote blok klei naar opa brachten.
Maar hij heeft daar nooit meer een nieuw paardje van gemaakt.

‘O ja, nu herinner ik het me weer’, zei mijn moeder.
‘Maar opa huilde niet écht hoor.’
‘Hij deed maar alsóf.’

Ach…en ik al die jaren maar denken dat hij écht verdrietig was

Vakantiekolonie

Door Hans, 23 maart 2010

Egmond aan Zee

Nadat ik de herinnering van Els aan haar kuren in Katwijk had gelezen, kwamen bij mij soortgelijke herinneringen boven.

Ik zal een jaar of zes zijn geweest, dat de schoolarts het raadzaam had gevonden om mij en mijn anderhalf jaar oudere broertje naar een vakantiekolonie te sturen, om ”aan te sterken”. Mijn moeder die het wel een prettig idee vond om een poosje wat ‘lucht’ te hebben in het grote gezin ging natuurlijk maar wat graag akkoord. En dus bracht moeder ons op een zonnige dag naar Egmond Aan Zee. Vanuit Haarlem gingen we met de elektrische trein naar Alkmaar en vandaar met de stoomtrein naar Egmond. Daarna was het nog een stukje lopen naar het statige gebouw boven op een duin omringd door bossen. We werden ontvangen door de vriendelijkste non die ze daar in huis hadden. Moeder kreeg een kopje thee en wij mochten in de tuin gaan kijken waar de andere kinderen aan het spelen waren. Toen we terugkwamen was moeder weg en werden we meegevoerd naar de slaapzaal. Daar moesten we ons koffertje uitpakken en alles op het bed uitstallen. Een heel strenge non keurde onze waren en na enig geknor beval ze ons de spullen in een kastje onder het bed te stapelen. Daarna moesten wij ons aansluiten bij de ‘blote billen parade’. Dit was een wekelijks terugkerend ritueel. De kinderen moesten de kleren uittrekken en liepen in een lange rij langs diverse nonnen die onze lengte en omvang maten, wogen en onderzochten op ‘ongerief’. Op een gegeven ogenblik kreeg je een scheut Lysol over je kop, dat gemeen brandde als het in je ogen kwam, en dan begon een zuster met een pietenkam aan je haren te rukken tot de tranen uit je ogen biggelden en zo de Lysol weer wegspoelde. Tot slot kwam je bij een zuster, die met een naald een prikje in je vinger gaf, er een druppel bloed uitperste en afstreek op een kartonnetje .

Oh, het was allemaal zo goed geregeld.

Nadat we weer aangekleed waren mochten we buiten spelen. Daar heb ik wel hele mooie herinneringen aan. Zo maakten we langs de steile wand van een duinpan een soort roetsj banen. Een gootje in het zand waardoorheen een tennisbal prachtig naar beneden kon rollen. Sommige kinderen hadden in hun baan zelfs tunnels, waardoor het extra spannend werd. In mijn herinnering lopen de dagen danig door elkaar, want we hebben er wel twee maanden gezeten. Er waren heel plezierige dagen en heel verdrietige dagen maar alle zijn mij bijgebleven. Het maken van een boomhut in het bos. De ontdekking van een mijn op het strand (wat tot enige paniek bij de leiding leidde). De vondst van een reuzenschelp (achteraf denk ik dat het gewoon een eendenmossel is geweest) die er heel kwetsbaar uitzag en prachtige kleuren had. Voorzichtig had ik die naar het huis gedragen en vol trots aan de zuster laten zien. Zij vond hem ook prachtig en nam hem dankbaar in ontvangst om hem in de vitrine op te bergen. “Inpikken” noemde mijn broertje dat verontwaardigd.

Het middagslaapje was ook zo’n ritueel dat mij helder voor ogen staat. Onder een afdak op de veranda stonden rijen met veldbedden. Daarop moesten we gaan liggen, allen met het gezicht naar dezelfde kant, want communicatie was uit den boze. Maar er was altijd wel iemand die een geweldige scheet liet of een ander vermakelijk geluid produceerde. De snerpende stem van de dienstdoende non bracht dan weer rust in de tent, maar onder je paardendeken bleef je nog lang grinniken.

En dan het eten. De meesten van ons waren min of meer ondervoed. Maar toch heb ik nooit meer, zelfs niet in militaire dienst, zoveel gemopper op het eten gehoord. Bij het ontbijt was de pap: ‘behangselplak’, de boterhammen: ‘uitgedroogde plankies’ en de melk: ‘zure-geitemelk-met-klonten’. Maar echt een trauma heb ik opgelopen bij het avondeten. De kinderen zaten in rijen aan lange tafels. De zusters kwamen dan langs om op te scheppen. Eerst kwam een non die een schep aardappelpuree op je bord kwakte. De volgende deed hetzelfde met de groente. Dan kwam er een met  ei of gehaktbal  en tot slot  kwam er een met een grote pan waaruit een plas jus over het geheel werd gegoten. Die dag was de groente andijvie. Tot dan toe had ik niks tegen andijvie. Maar mijn broertje die naast mij zat haalde met een vies gezicht een grote groene rups uit zijn groenteprut en legde die naast mijn bord op tafel. Vol walging bekeek ik de halfgare larve. Op dat moment kwam de zuster van de jus. Zij zette, om even een ruzie tussen twee kinderen te beslechten, de pan op tafel, bovenop de rups. Wij zeiden niets tegen elkaar, maar toen de pan weer werd weggehaald lag er een grote groene vlek naast onze borden. Ik ben er heel misselijk van geworden, tot diep in de nacht. Nog steeds (zestig jaar later) kan ik geen hap andijvie door mijn keel krijgen.

Van de reis terug naar Haarlem kan ik mij herinneren dat we die per bus maakten. Mijn moeder praatte onderweg honderd uit met ene mevrouw Baard (onthouden door de grappige naam en omdat haar man directeur was van het Frans Hals museum). Het thuiskomen was ook heel vreemd. Ons huis zag er van binnen opeens heel anders uit. Het was ruimer dan ik mij kon herinneren en het was ook lichter, vrolijker. Trouwens van dat aansterken is helemaal niets terecht gekomen want toen wij werden opgehaald stond in het begeleidend briefje: Toegenomen gewicht: Nihil.

Kuren in Katwijk

Door Els, 5 maart 2010

Ik was drie jaar toen ik naar Katwijk ging om daar in de frisse zeelucht te genezen van TBC. Veel is dus zeer wazig. Maar dit herinner ik me nog wel.
Elsje Fiederelsje
Mama bracht me we, in een taxi. De rit leek eindeloos te duren en dat zei ik ook. Mijn moeder zei me dat het voor mijn eigen bestwil was. Thuis, waar ik al drie maanden “gekuurd” had, zou ik niet beter worden. De zeelucht en veel buiten zijn, daarvan zou ik opknappen. Van het afscheid weet ik alleen nog dat mijn moeder huilde. Maar nadat ze weg was, voelde ik me al snel thuis in het zeehospitium. en dacht ik er niet eens meer over na dat ik zo ver weg was. Ach kinderen zijn flexibeler dan volwassenen denken.

En er mochten daar dingen die thuis absoluut verboden waren. Zoals een teil zand in je bed, om lekker mee te spelen. Je mocht knippen, kleuren, knutselen.
En er was altijd wel iemand om mee te keten, want we lagen met zes (of acht??) andere kinderen op zaal. We vonden altijd wel iets geks te doen. Goed, je moest je eerst los wurmen, want je zat in bed vastgebonden. Maar had je dat voor elkaar gebracht, dan kon je de grote spinnen pakken en ze de poten uittrekken. Een voor één, die dan op je laken bleven bewegen. Nu onbegrijpelijk, maar we vonden het toen het toppunt van lol.

En natuurlijk probeerde we de verpleegsters uit. Sommige waren niet kwaad te krijgen, maar anderen… En dan verzin je heel gekke dingen.

Naast mij lag Theo. We waren dikke maatjes, al konden we elkaar niet aanraken, zo ver stonden de bedden uit elkaar. Maar samen kattenkwaad beramen, ja dat konden we natuurlijk wel.

Op een avond, het eten stond net klaar op ons nachtkastje, fluisterde hij: “Elsje, Elsje…” “Ja, wat is er?” fluisterde ik terug. “Ik heb helemaal geen honger.” “Nee, ik ook niet!” Dat was niet zo raar, want eten was een terugkerend probleem. Geen trek, niets lusten, onsmakelijke maaltijden. En stuk voor stuk waren we lastige etertjes. In mijn herinnering waren alle kinderen daar dan ook broodmager en naar de trend van die tijd moest je juist een beetje mollig zijn. Dat was pas gezond. Dus graag een beetje doorhappen….en altijd bordje leegeten.

Goed, Theootje had dus geen trek. Hij trok een vies gezicht. “Ik geloof dat ik er een beetje misselijk van wordt. Dan moet ik zo meteen spugen” fluisterde hij samenzweerderig. Ik zag het voor me en meteen sloeg ook een golf onpasselijkheid door mij heen. “Oh, ik ben ook een beetje misselijk.”

Om een lang verhaal kort te maken, we hebben elkaar die avond zo op zitten stoken, dat we allebei de hele boel onder spuugden. Wat het effect op de andere kinderen op de zaal was, weet ik niet meer. Maar wie er voor moest opdraaien: ja, de verpleegster natuurlijk. En die vond dat niet leuk.

Ze begreep wel dat het allemaal opzet was en wilde ons streng straffen. Nou hing er aan ons bed een kaart, met daarop je medische toestand. Als je er slecht aan toe was stond op die kaart een grote D. A was het beste en dan verkeerde je al in het stadium dat er over naar huis gaan werd gepraat. Die avond werd de A van Theo en mij veranderd in een dikke D. Zo zou ze ons wel eens even een lesje leren. Maar ja, wat heeft dat voor effect op een kind van drie, die nog geen A van een D kon onderscheiden?

Dat konden mijn ouders natuurlijk wel. En die schrokken zich een ongeluk toen ze op bezoek kwamen. Na een pittig gesprek met de hoofdzuster werd alles weer recht getrokken en prijkte er weer een A op mijn kaart. Maar telkens als mijn moeder er aan terugdacht, voelde ze weer de schrik in haar benen.

(eerder geplaatst 23 februari 2010 op knutzels.nl)

Bruni

Door Nanos, 26 februari 2010

Bruni was een jaar of tien, toen ze bij ons kwam.
Ze zou een tijdje blijven. Zes weken, twee maanden? Ze kwam uit Oostenrijk en ze hadden het thuis niet breed, begreep ik. Haar oudere zusje Traudi kwam ook naar Nederland, naar een ander gezin. Ze kwam al voor de tweede keer.

Ik kom de zusjes tegen op een foto. We staan er met zijn allen op, de vijf kinderen van mijn ouders, en Bruni en haar zusje. Mijn broertjes ‘doen leuk voor de foto’.
Mijn zusje kijkt zoals ze nu nog kan kijken.
Bruni had blonde krullen. Mijn moeder had iets met krullen. Ze durfde het haar van Bruni bijna niet te wassen, gewend als ze was aan onze steile haren. Ze was als de dood dat de krullen eruit zouden gaan.
Bruni had heimwee. Overdag leek er geen probleem te zijn, maar ‘s nachts… Hartverscheurend was het. Mijn zusje, ongeveer even oud als zij, kon er niet mee uit de voeten. De taal was een extra barrière. Ik was veertien en probeerde Bruni’s dagen zo aangenaam mogelijk te maken. Moeilijk, als een kind zich niet lekker voelt.
Bruni maakte de tijd bij ons niet vol.
Uiteindelijk vertrok Bruni, naar het gezin waar ook haar zusje was.
Hoorden we daarna nog iets van Bruni?
Ik kan het me niet herinneren, misschien wel, misschien niet.

Kinderleed, dieren mishandeling en leugens

Door Hans, 23 januari 2010

Ik deed mijn Eerste Heilige Communie. Dat is een Rooms Katholieke ceremonie waarbij een zevenjarige wordt toegestaan deel te nemen aan de eredienst in de kerk. Daar ging een hele periode van leren, oefenen en andere zenuwachtig makende rituelen aan vooraf. Het meeste gebeurde op school, daar hadden ze, denk ik, thuis geen weet van. Maar toen de dag van de plechtigheid naderde, kwam men thuis ook in actie. Mijn moeder begon met mij de maat te nemen, letterlijk, want zij ging voor mij nieuwe kleren maken. Dat werd zoals gebruikelijk voor die tijd een soort matrozenpakje. Omdat het daar niet erg op leek, noemde mijn moeder het een jonker pakje. Het was een zwartfluwelen korte broek met galgjes over een wit ‘satijnen’ bloes met een flamboyante kraag en roesjes aan de mouwen. Ook werd ik meegenomen naar de Bata (Batja zei mijn vader altijd om een of andere reden). Daar in die schoenenwinkel kreeg ik prachtige zwarte lakschoentjes. ‘Op-de-groei’ gekocht, net iets te groot dus. Maar ik vond ze prachtig. Trots als een pauw heb ik alle rituelen doorstaan. ’s Middags kwam er bezoek en ik kreeg cadeautjes, alsof ik jarig was. Hoewel de presentjes wat eenzijdig waren: wijwatervat, rozenkrans, een kerkboekje met mooie plaatjes. Maar het mooiste was een plak schuinsafgezaagde berkenstam met een afbeelding er opgeplakt. Het stelde de grot van Lourdes voor, met daarin de Heilige Maria ten voeten uit. Haar lichtblauwe jurk werd op wonderbaarlijke wijze roze als je er op ademde.
Toen nu het bezoek verdwenen was mochten we nog even buiten spelen. Ons huis lag aan een ventweg. De autoweg was in die tijd nog zo rustig, dat je die gemakkelijk kon oversteken om aan de overkant te spelen op een strook gras die langs de waterkant liep. We gingen daar vaak madeliefjes plukken om die tot kransen te verwerken. Die droegen we op ons hoofd of hals terwijl wij een soort lentedansje opvoerden. Met een bal spelen was daar wat lastig omdat het grasveldje naar het water afliep, zodat de bal iedere keer het water inrolde. Ik weet niet meer wat ik die dag precies aan het doen was, maar plotseling zag ik een kikker in het gras zitten. Die hoorde daar niet vond ik. Die moest in de sloot. Ik gaf de kikker een schop om hem op weg te helpen, maar omdat mijn schoen één maat te groot was vloog die met een keurige boog achter de kikker aan de sloot in. Nog een paar luchtbelletjes in de kringvormige rimpeling en weg was mijn schoen, diep in het zwarte water. Mijn verdriet was groot, maar ik besefte dat het de straf van God was, want mij was geleerd respect te hebben voor de dieren en schoppen van kikkers viel daar niet onder. Thuis zei ik dat ik een steentje had willen schoppen, want ik wilde het verlies van de schoen niet nog erger maken. Al had ik op de catechismusles wel geleerd dat jokken een erge zonde was, weliswaar geen doodzonde maar een dagelijkse zonde. Door mij dus dagelijks bedreven.
Ik geloof niet dat ik straf heb gekregen, maar ’s avonds in bed heb ik gehuild om het verlies en om mijn verdorven gedrag.

Schoenen

Door Els, 21 januari 2010

Al vier keer was ik er langs gelopen, van huis naar school en weer terug. Ik had er zelfs een tram voor laten lopen, omdat ik toch nog even wilde kijken. En ze stonden er nog steeds. Bronsgroene schoenen, met een spits neusje en kittige queeniehakjes. Niet te hoog, niet te breed, zacht glanzend leer. Helemaal volgens de laatste mode. En de prijs, nou ja, dat was niet niks, maar toch ook weer niet zo schreeuwend duur, dacht ik.
Helemaal in de gloria kwam ik thuis. “Mam, ik heb zulke leuke schoenen gezien.”

Moeder leek niet in de stemming voor nieuwe schoenen. Maar ja, dat kon mijn voorpret niet drukken. Ik vertelde wel drie keer achter elkaar dat die mooie schoenen bij winkel X …. Ja,ja, dat wist ze nou wel. Trouwens, daar kopen, dat ging sowieso niet door. Daar moest je betalen. Ja gut, logisch toch? Nee, we gaan naar winkel Z. Daar hadden we wel vaker schoenen gekocht, maar die had lang niet zulke leuke. Waarom nou? Nou daarom. Maar zo gemakkelijk liet ik me niet met een kluitje in het riet sturen.

En na lang zeuren kwam het hoge woord eruit. Daar kon je met bonnen betalen. Oh ja, die bonnen. Ik begreep helemaal niet hoe dat in elkaar stak. Maar ik wist wel dat, voordat er grote aankopen werden gedaan, moeder altijd in een flodderig geel boekje keek om daarna pas te beslissen waar we iets gingen kopen. Later ontdekte ik hoe het werkte. Moeder had een soort van lening gesloten. Ze kreeg echter geen contant geld, maar de beruchte bonnen. Wekelijks betaalde ze de lening af bij de “bonnenman”, een in mijn ogen wat gluiperig tiepje. Die overigens bij meer deuren in de straat aanbelde en geduldig op zijn geld wachtte.

De weken daarna liep ik telkens langs de schoenenwinkel, stil hopend dat ik die mooie schoenen toch eens zou bezitten. Tot op een dag de etalage was veranderd en mijn droomschoenen verdwenen waren.

Maar eindelijk was het dan toch zover. We gingen schoenen kopen. Moeder had voor deze keer besloten om naar Schiedam te gaan, waar ook een “bonnenwinkel” was.

De winkel zat aan het einde van de Rotterdamsedijk. Een behoorlijk stuk lopen, maar dat spaarde weer geld voor de tram uit. Wist ik veel van de geldzorgen van mijn moeder…. En was dat maar het enige. Ook het humeur van mijn vader was een bron van zorgen. Op de meest ongelegen momenten kon hij zomaar van vrolijk naar ongenietbaar omslaan en wekenlang niet willen eten of zelfs maar praten. Het was altijd oppassen met wat je zei of deed. Niet dat het hielp, maar het hele gezin liep spitsroeden om het vader naar de zin te maken.

In de winkel vertelde ik meteen dat ik moderne, vlotte schoenen met een hakje wilde. Moeder protesteerde, nee degelijk en op de winter berekend moesten de schoenen zijn. De verkoopster keek hulpeloos. Dat zou nog wel eens lastig kunnen worden. En of, dacht ik, want de dwarse puber in mij stak net de kop op. Ik zou beslist niet overstag gaan.

Ze begon maar meteen flink, met vijf paar schoenen. Geen enkele beviel me natuurlijk. Nogmaals vijf dozen aangerukt. Weer niks, hoewel mijn moeder er wel iets tussen zag. “Oh nee, die kleur, nee… Dat model, hoe kon ze dat nou denken? Nee, die waren te hoog, die te laag.”

En de stapels schoenendozen werden alsmaar groter. Steeds dieper zuchtend verdween de verkoopster naar het magazijn. Mijn moeder zag inmiddels rood. Zweet parelde op haar voorhoofd en ze schuifelde zenuwachtig op haar stoel. Op het laatst siste ze woedend: “Nou kies je potjandorie een paar, anders gaat het hele feest niet door!” “Nou dan niet toch.” Ik voelde me sterk en we gingen onverrichter zake weer terug naar huis.

’s Avonds probeerde ik mijn vader te paaien. En daar had ik nou net het verkeerde moment voor gekozen. Hij vloog op en zei: “Nou dan loop je nog maar een tijd op deze barrels. Er worden geen schoenen meer gekocht. Punt! Uit!”

En ik had alleen nog maar dat ene paar flatjes, met een gat in de zool. Die hele winter, of het nu regende, sneeuwde of vroor, ik kreeg geen nieuwe schoenen. En het gat werd steeds groter.

Pas in maart leek de tijd weer rijp voor nieuwe schoenen. En ondanks mijn protesten, de bittere tranen en lieve woordjes. Het werd niet mijn keus, maar de stevige juchtleren veterschoenen die moeders én vaders goedkeuring konden wegdragen.

(eerder geplaatst op knutzels.nl op 19 januari 2010)

Het geluid in de stilte…..

Door Hanny, 17 januari 2010

Ze houd van de stilte…..
maar is dan liever niet alleen…..
Ze houd van alleen zijn…..
maar niet van de stilte…..

Ze zal een jaar of elf geweest zijn.
Laten we haar Jopie noemen dat was het koosnaampje wat haar vader haar gaf toen ze klein was.

Jopie en haar broers en zusje gingen nooit met hun ouders op vakantie, om de eenvoudige reden dat er geen geld was voor vakantie.
Het vakantiegeld werd besteed aan kleding en verdere nodige behoeftes.
Wel gingen Jopie en ook haar oudere broer met enige regelmaat bij ooms en tantes logeren in de vakantieperiode.
Zo ook die vakantiedag dat Jopie zou afreizen naar een oom en tante in Overijsel.
Jopie haar ouders hadden geen eigen vervoer, dus werd er besloten dat ze met de trein zou reizen.
Het zou maar drie kwartier zijn met de trein en er werd Jopie precies verteld dat ze na drie tussenstations bij de vierde stop uit moest stappen.
Daar zou een vriend van Jopie haar oom en tante haar weer van de trein halen met de auto, want ook oom en tante hadden geen eigen auto.

Vader bracht Jopie naar het station en zette haar op de trein.
Ze zwaaiden naar elkaar en daar ging Jopie.
Eerste tussenstation…tweede tussenstation…derde tussenstation…
Dan komt het vierde station, waar ze uit moet stappen.
Het klopt allemaal, de naam van het station,
en ook de tijd dat ze daar aan moet komen.
De grote zwart witte stationsklok geeft …5 uur…aan
Jopie stapt uit en loopt naar de uitgang van het station waar volgens de afspraak de vriend van oom en tante al op haar zou staan wachten.

Dan…geen….vriend van oom en tante.

Jopie wacht….
Was het eerst erg druk bij het station, werd het er nu stil.
Iedereen was naar het adres gegaan waar ze werden verwacht.
Jopie wacht….
en kijkt naar iedere auto die aan komt rijden,
en naar de grote zwart witte stationsklok.
Half zes…Zes uur…
Dan is er weer wat drukte, er komt een trein aan bij het station
Ze moet heel nodig plassen maar durft niet te gaan want stel je voor als hij dan net zou komen.
Ze word bang zijn ze haar vergeten ?
Jopie kan nergens heen, ze kan alleen maar wachten….

Ze voelt zich opgesloten in het schaarse licht en de stilte om haar heen.

Alleen het geluid van een enkele …voorbij… rijdende auto fietser of voetganger is te horen
De grote zwart witte stationsklok tikt door.
Half zeven…Zeven uur…
Weer wat drukte er is weer een trein aangekomen.
Haar plas heeft ze ongemerkt achter een struik in een bloemenperk gedaan,
ze kon het niet langer ophouden.
Het huilen staat Jopie nader dan het lachen, wat moet ze doen….

Dan komt er weer en auto…
hij stopt…
zou dat…
gelukkig hij was het….

….Hij was Jopie vergeten….

Jopie heet al lang geen Jopie meer.
Maar de Jopie van toen is nu een vrouw die nu nog heel erg veel moeite heeft met:

Wachten in de stilte…
Stilte, waarin ze alleen het geluid hoort van voorbij rijdende auto’s…

Het eerste wat ze s’morgens doet als ze uit bed stapt,
…..de stilte verbreken door de radio zachtjes aan te zetten….

….Anno 2010….

Het gemiddelde gezin gaat toch minstens één keer per jaar met vakantie…
Het gemiddelde gezin heeft een auto…(of twee)
We zijn bijna allemaal mobiel bereikbaar….
Er rijden meer treinen in een uur…
Het is drukker op straat…
De jeugd is mondiger…

(eerder geplaatst op 8 januari 2010 op friesenfruitig.web-log)

What is in a name?

Door Els, 16 januari 2010

Mijn naam komt, geloof ik, niet meer zo vaak voor, maar dat is wel anders geweest. Ik herinner me een klas van de lagere school waarin wel drie Elzen zaten.

Ik vond (en vind nog steeds) dat ik er met namen krijgen maar bekaaid af kwam. Drie letters en dat was het, niks geen Elisabeth… en zeker niet meer dan één naam. Nee, gewoon Els, daarmee moest ik het doen.

Mijn enige zus Rina, die 18 jaar ouder was, vertelde dat er wel heel lang nagedacht is over die naam. Er moeten er vele de revue gepasseerd zijn, waaronder Joyce, wat zij heel mooi vond. Maar moeder besliste dat met zo’n naam een kind niet stout zou kunnen zijn. Bij zo’n naam paste eenvoudigweg geen boosheid. Mama rekende zeker al een beetje op een recalcitrantje.

Rina was vernoemd naar mijn oma van moederskant: Adriana Marina. Vernoemen naar de moeder van vaders kant was geen optie.  Het werd Els en dat bleef het. Nou ja, Aartje Baartje, naar oma,  was ook niet je dat.

Och, het was ook wel makkelijk en lange tijd liet ik het zo. Alleen als er weer eens Elsje-Fiederelsje werd gezongen, dan haatte ik die naam.

Maar ik werd ouder en opeens besloot ik dat ik Isabelle genoemd wilde worden. Mijn vader haalde zijn schouders op over zoveel flauwekul en heeft me zo nooit genoemd. Mijn moeder heeft een of twee slappe pogingen gedaan. Maar Piet, de verloofde van Rina, blies het project in één keer en uiterst adequaat naar de maan.

Nadat ik hem verteld had dat ik dus niet langer Els maar Isabelle was, knikte hij. Het was die avond Isabelle voor en na. Ik gloeide van trots. Zo zou ik dus voortaan genoemd worden.

Maar de volgende keer dat hij bij ons kwam, riep hij al op de trap luid: Hallo Elsje! Ik keek hem vernietigend aan en toen zei hij; ” Oh nee, zo heet je niet meer. Maar wat was je naam dan ook alweer?”  Met een diepe frons dacht hij na, zuchtte eens en zei toen: “Oh jaaaa, ik weet het weer. Je heet nu Tuttebel“.

Van toen af aan was ik weer gewoon Els.

(eerder geplaatst op knutzels.nl op 13 januari 2010)

De babypop

Door Rozerood, 23 december 2009

Vroeger vond ik december altijd de heerlijkste maand van het jaar. Sinterklaas, kerst, mijn verjaardag en oudjaarsdag, in die volgorde. De gezelligheid kon niet op!

Dat jaar had ik maar één wens voor mijn verjaardag: een echte babypop. Ik had het idee dat die wens wel eens in vervulling zou kunnen gaan. Mijn moeder deed erg geheimzinnig en ik werd steeds uit een bepaalde kamer gehouden.

De bewuste dag was ik natuurlijk heel vroeg wakker. Ik kroop bij mijn ouders in bed en het wachten was op de grote zussen. Dat duurde veel te lang, dus ging ik ze uiteindelijk zelf maar wekken.
Met elkaar op het grote bed, wat een feest! Ik werd van alle kanten geknuffeld en gefeliciteerd en toen was het tijd voor de cadeautje’s.

Eerst het hoofdcadeau van mijn ouders. Een groot pakket in de vorm van een …..pop!
Ik zie mezelf nog het papier losmaken totdat het wonder tevoorschijn kwam.

Nog hoop ik dat ik mijn teleurstelling niet heb laten zien, maar ik vrees het ergste.
Op zich was het een prachtige grote pop met een schitterend, door mijn moeder gebreid, skipak aan.
Alleen, het was geen babypop.

Het hoofd was relatief groot, het had de trekken van een volwassene en het haar van de pop was een echt kapsel. Kunstige krullen, een soort permanent eigenlijk.
Waarschijnlijk had ik mijn moeder niet duidelijk gemaakt dat ik zo graag een babypop wou hebben. Waarschijnlijk heb ik gevraagd om een echte pop. En dat was het.
Ik kreeg daarbij een complete garderobe voor de pop, allemaal door mijn moeder gemaakt.
Ik hoop zo dat ik blijdschap en verrassing heb uitgestraald!

De pop werd Noortje genoemd en uiteindelijk kon ik me redelijk met haar verzoenen.
Later, toen mijn moeder overleden was, keek ik er zelfs met vertedering naar.
Noortje heeft mij mijn hele leven vergezeld, van het ene huis naar het andere, van mijn kamer in Utrecht tot het huis in Rotterdam, waar ik destijds samen met mijn nieuwbakken echtgenoot ging wonen.
Daarna is ze nog twee keer meeverhuisd, tot het huis waar ik nu woon.
Noortje kreeg haar onderkomen in de schuur.

Een paar jaar geleden, wij waren op vakantie in Frankrijk, kwam er een alarmerend telefoontje van de buurvrouw. Of we maar direct naar huis wilden komen. Onze schuur stond in brand!

Op zich is dat gelukkig allemaal goed afgelopen, maar helaas niet voor Noortje.
Er was zo weinig van haar over!
De foto toont het geraamte van de schuur en als je goed kijkt, zie je haar zitten, rechts onder op de grond.
Deze foto is alles wat mij nog rest van Noortje.

Panorama Theme by Themocracy