Het is een mooie zomerdag en we sjouwen met zijn vieren door Madurodam. Noortje in de buggy, want net 1 jaar, Bart los, met Pip de knuffel als stevig houvast.
Hollands erfgoed in miniatuur, beroemde gebouwen, de havens, allemaal tot je dienst, maar de treinen zijn toch wel het allermooist. Hij kan er maar geen genoeg van krijgen, en als we helemaal rond zijn geweest, en Noor allang ligt te slapen in haar karretje, wil hij wel nog een keer. Het liefst bij een tunnel, en dan voorspellen wanneer de trein komt. En welke.
En dus ben ik zo gek niet, of ik ga samen met mijn stuiterende zoontje nog een tweede rondje door het warme drukke park.
Leo niet, die nestelt zich samen met Noor en een koud biertje op het terras..
Wanneer we uitgekeken zijn (of eigenlijk alleen ik, Bart kan door tot hij erbij neervalt) en we het terras oplopen, staat Leo’s gezicht op standje verontwaardigd. En met rode wangen vertelt hij wat hem overkomen is:
Noor had niet lang liggen slapen en was overgegaan op haar favoriete spelletje van die dag; het weggooien van haar lievelingsbeer en dan pappa laten apporteren. Maar ja, pappa was gekke Henkie niet, dus na de derde keer deed hij of zijn neus bloedde en liet de knuffel liggen. Hij genoot van de zon en zijn biertje en zag zijn dochter met haar ongeduldig priemende vingertje gewoon even over het hoofd. Helaas had hij niet gerekend op de twee goedbedoelende dames aan het tafeltje naast hem…
“Opa, uw kleindochter heeft haar beer laten vallen hoor!”
Há! Dat krijg je ervan. Had hij maar nog een rondje met Bart moeten lopen, eigen schuld, dikke bult! En gierend van de lach ga ik nog even naar de WC voordat we Madurodam verlaten…
Mensen die mij kennen weten niet beter of ik heb een bril op. Zonder bril kan ik redelijk zien al wordt dat de laatste tijd ook wat minder. Toch voel ik mij beter met en draag hem dus altijd. Maar dat is niet altijd zo geweest. Ik denk dat ik een jaar of acht was (1952) dat mijn moeder bij de schoolarts klaagde dat ik altijd zo zat “te knijpen”. De dokter liet mij wat letters lezen op een bord dat in het kamertje was gehangen en oordeelde dat ik maar eens naar de oogarts moest voor een consult. Mijn moeder maakte een afspraak en op een goede dag werd ik onder begeleiding van mijn 1 jaar oudere broertje naar de oogarts op de Versproncklaan in Haarlem gestuurd. Dat was vanaf ons huis op de Delftlaan maar een kleine wandeling. Mijn broer had een briefje met de mededeling dat er eens naar mijn ogen gekeken moest worden. De Versproncklaan is best lang dus was het even zoeken naar het huis van de oogarts. Hoe verder wij liepen hoe statiger werden de huizen en hoe deftiger de bordjes op de deuren. Kijk, hier woont een notaris, zei mijn broer dan. En hier een huisarts! Hier een vrouwenarts en hier een orthodontist! Is dat een oogarts? vroeg ik mijn broer. Ik weet het niet, laten we nog even verder zoeken. Daar woonde weer een huisarts en toen zagen we duidelijk: Oogarts! Dapper belden wij aan. Er deed een vriendelijke vrouw open. Wij vertelden waarvoor wij kwamen en toen mochten we in de wachtkamer zitten tot de dokter ons zou binnenroepen. We keken wat in de krantjes die er lagen, maar al snel mochten we naar binnen. De dokter keek ons achterdochtig aan en bestudeerde het briefje dat moeder ons had meegegeven. Zonder veel omhaal kreeg ik een apparaat op mijn hoofd gedrukt waar de dokter allerlei glaasjes in hing terwijl ik steeds moest proberen de cijfers en letters op het bord te ontcijferen. Toen hij klaar was schreef hij een receptje en stuurde ons weer naar buiten. Opgelucht dat het achter de rug was togen wij weer op huis aan. Moeder stond ons met de armen over elkaar op te wachten (armen over elkaar betekende niet veel goeds), maar wij waren ons van geen kwaad bewust. De oogarts had gebeld! Wij waren niet komen opdagen en zijn tijd was kostbaar! Maar we zijn wel geweest, kijk maar, hier is een briefje van de dokter. Moeder bestudeerde het briefje en schoot in de lach. Jullie zijn naar de verkeerde oogarts geweest. Oef dat was een opluchting. Maar niet voor lang. Er werd ook nog een bezoekje aan de brillenwinkel gebracht. Moeder ging mee en een paar dagen later had ik een brilletje op mijn neus. Wat vervloekte ik dat ding. Binnen een dag bezorgde de steeltjes rauwe plekken op mijn oren en mijn neus begon ook al pijn te doen. Of de klasgenootjes mij met mijn brilletje gepest hebben weet ik niet meer. Maar al snel besloot ik dat ik er van af moest zien te komen. Dus op een goede dag op weg van school naar huis legde ik mijn brilletje stilletjes in het portiek van een willekeurig huis. Snikkend vertelde ik mijn moeder dat ik mijn bril was verloren en hoopte door mijn verdriet te tonen een zekere straf te ontlopen. Inderdaad bleef de straf uit. Maar de volgende dag al toen ik opgewekt uit school kwam melde mijn moeder dat ze naar de politie had gebeld en dat mijn bril was gevonden. Dus volgde nog diezelfde middag een lange wandeling naar het hoofdbureau van politie waar inderdaad mijn brilletje voor mij klaar lag. Het stomme ding was altijd vet, deed steeds pijn en gaf mij een dom uiterlijk. Na een paar maanden had ik het voor elkaar dat ik hem niet meer op hoefde. Hoewel ik meer dan gemiddeld last had van hoofdpijn kreeg ik pas tien jaar later voor de tweede en definitieve keer een bril van de militaire oogarts.
Het was een probleem, handwerken en ik. We pasten niet bij elkaar.
Als moeder breidde ik menig trui en naaide ik veel kinderkleren maar op de lagere school was mijn handvaardigheid een droefenis.
Bij het eerste werkstuk, in de tweede klas, ging het nog wel.
We maakten een broddellapje. Borduren op een grof stramien, dat was gemakkelijk.
In de derde klas was een onderkleedje voor asbakken e.d. het voorbeeld, in spinnenwebvorm, te haken van crèmekleurig glansgaren. Het lukte.
In de vierde klas werd het menens; er kwam een nieuwe non met modernere ideeën zodat er aangepaste werkstukken werden aangeboden.
Nou ja, wat zij voor modern hield.
We kregen een voorgeknipt katoenen lap, naar keuze in blauw of zalmrose (jèk..) waarvan we een heuse onderbroek in elkaar moesten zetten.
Echt waar, in de jaren dat we allang tricot-ondergoed van Hollandia kochten moesten wij het zelf naaien. Dat heette leerzaam.
Dragen deed ik de broek niet, hij zat nooit lekker en de elastiek deugde ook niet.
Daarna, in de vijfde klas, mochten we sokken breien; ook die waren onbruikbaar omdat ik de hielen en teenstukken door elkaar haalde.
Voor de zesde klas was een prestigieus project gepland, we gingen een trui breien in ajourpatroon. Ajour is een patroon met gaatjes.
Achach, wat een boel gaten had die trui. Een voor de hals, twee voor de armen en een ontelbare hoop als gevolg van breifouten. Het werd een doorkijktruitje.
Misschien dat dat de reden was dat mijn moeder het verdonkeremaande, bang dat ik het zou aantrekken en daarmee de buurjongens op stang zou jagen.
Het zal begin zeventiger jaren geweest zijn. Mijn toenmalige vriendin en ik hadden bij haar ouders één of andere voetbalwedstrijd op TV gekeken. Daarna zou ik weer naar huis gaan. Via de achterdeur liet m’n vriendin mij uit, maar omdat we zo in gesprek waren liepen we beiden verder. Je kwam dan uit op een binnenterrein waaraan garages met platte daken lagen. Daarachter lagen tuinen van een ander blok huizen. We besloten op één van die garages te klimmen, en aldus zittend op het platte dak verder te praten. Zo gezegd, zo gedaan. Na enige tijd kwamen twee politie-auto’s met zwaailichten de binnenplaats oprijden. Ze stopten bij ons. ‘Wat doen jullie daar?’ ‘O, we zitten gewoon wat te praten.’ ‘We zijn gebeld dat er mensen bezig zijn om in te breken. We zullen jullie mee naar het bureau moeten nemen.’
Nou, oké, dachten we. Die ervaring pakken ze ons niet meer af. Daar werden we afgevoerd in één van de politie-auto’s. Op het bureau duurde het nog een uur voordat iemand met een formulier de stand van zaken kwam opnemen. ‘Naam?’ ‘Gerrit D, meneer.’ ‘En van u, jongedame?’ ‘M van de M, meneer.’ ‘Misschien familie van de Officier van Justitie?’ ‘Jawel, zijn dochter…’
O, nou, het spijt ons, bla bla bla. We zullen jullie zo snel mogelijk weer terug naar huis brengen. Enzovoorts, enzovoorts.
Hier brak onze klomp. Stel je voor dat we een nietszeggende naam hadden. Dan hadden we moeten praten als Brugman om ervoor te zorgen dat wij geloofd werden. Want ja, wie gaat er nou voor de lol tegen middernacht op een plat dak van een garage een beetje ouwehoeren…?
Nee, sinds die tijd snap ik heel goed de frustratie van mensen, wanneer ze opgepakt worden voor iets dat ze niet gedaan hebben, maar niet geloofd worden. Hadden ze maar familie moeten zijn van een in die wereld bekend persoon…..
In de jaren vijftig was er een programma op de radio dat heette: ‘Half acht, noten toe’
Misschien werd er een andere tijd genoemd, maar er waren in ieder geval noten.
Voor ons, kleinsten, was het te laat, wij werden geacht te slapen op die tijd, welke dan ook.
Maar er knaagde iets aan me.
Kijk, als ukkie had ik al een scherp oog en oor voor de eetbaarheid van de dingen.
(Vraag me niet waar deze eigenschap vandaan kwam, we kregen voldoende te eten en te drinken; het zal een afwijking zijn.)
Maar ik was te klein om de juiste verbanden te leggen, kon ook de gids nog niet lezen, ik begreep slechts dat er ‘s avonds noten waren.
En dat hield me wakker.
Beneden werden noten gegeten terwijl wij moesten slapen. Onverdraaglijk. En dat terwijl ik ze zo lekker vond…
Niet alleen de oneerlijkheid was onverteerbaar, ook het gemak waarmee mijn moeder het naar voren bracht:
‘Schiet op, straks is er noten toe.’
Dit verbaasde me nog meer dan de ongekregen noten. Vond ze het dan gewoon dat wij geen noten kregen en de groten wel?
Daar piekerde ik over als ik geacht werd te slapen.
Gewoon vragen waarom wij geen noten kregen was beter geweest maar in die jaren vroeg je niet zoveel.
Toch werd het me op een avond teveel.
Wéér moesten we opschieten want alwéér kregen ze noten toe.
Het was teveel en ik brak, riep verongelijkt:
‘Dan moeten jullie er voor ons ook ‘n paar bewaren…’
Vanochtend bromde een vrachtwagen van de regionale reinigingsdienst door ons dorp om de kerstbomen van Anno Domini 2009 op te halen. Dat deed me denken aan een vermakelijke gebeurtenis in mijn tijd als stadverslaggever in Eindhoven.
Een plaatselijke schoonheid – laat ik haar Corrie noemen — maakte het op de vooravond van Kerstmis uit met haar vriendje – laat ik hem Joop noemen. Op Driekoningen verscheen in mijn krant een kleine annonce: ‘KERSTBOMEN GEVRAAGD. Ik betaal f 2,50 voor uw kerstboom, groot of klein. Te bezorgen bij: …’
U voelt ‘m al: de annonce was opgegeven door Joop en het vermelde adres was dat van Corries ouders. Destijds, begin jaren ’50, was een riks een aardige zakcent. En zo togen tientallen jongelui met een kerstboom naar huize Corrie. Waar zij werden afgepoeierd door een steeds woedender wordende vader. En uit ergernis over hun vergeefse sleeptocht de boom voor zijn huisdeur kieperden.
Rond die tijd had mijn krant ook een annonce van een snaak: ‘TE KOOP. Kerstboom. Zo goed als nieuw. Slechts twee maal onder gezongen.’
Ongeveer acht maanden geleden bij de supermarkt.
De caissière was oerchagrijnig. Niet uitgeslapen? Ongesteld? En konden wij daar wat aan doen?
De klantenrij was dan ook stilletjes, beducht voor haar effen gezicht.
Vóór me stond een man.
Een vriendelijk klein mannetje, niet zo jong meer. Hij keek al ‘n beetje benauwd.
Hij was nog niet aan de beurt maar ging, na een blik op het narrige sekreet, alvast een doos uitzoeken zodat hij snel kon inpakken.
Er was geen passende doos en hij zocht een paar seconden.
Intussen was de rij opgeschoven; het kassamonster wachtte, zwijgend.
Schichtig haastte hijj zich met een veel te klein doosje naar zijn plaats waar de artikelen al gescand waren, het waren er maar een paar: twee flessen en een kleine taart..
Wat nu? Eerst afrekenen? De boodschappen inpakken? Even aarzelde hij, van zijn stuk gebracht door het afwijzende gezicht, dan deed hij
het taartje in de doos, wilde de fles er bovenop leggen, zette de fles weer terug; hij transpireerde.
‘Acht euro en vijf cent,’ zei ze luid.
Het klonk als een vonnis.
Bijna liet hij de fles vallen en graaide naar zijn portemonnee..
Angstig legde hij een biljet van tien euro neer, oei.
Gespannen wachtten we af en ja. ‘Heeft U er vijf centen bij?’
We hielden de adem in, zagen hoe mannetje verder worstelde met de te kleine doos en tegelijkertijd naar een muntje zocht.
Net wilde ik er een opdiepen als hij er zelf een vond.
Opluchting was voelbaar en toen hij zenuwachtig naar de wachtenden keek lachten we hem allemaal blij toe, we zouden hem willen knuffelen.
Hij fleurde op, pakte de spullen onder zijn armen en vertrok.
Toen was ik zelf aan de beurt; gehaast propte ik alles bij elkaar in de tas.
Gelukkig had ik de pinpas bij me, ik zou haar aanraking bij het wisselen niet kunnen verdragen.
‘Goedemiddag nog,’ groette ik.
Ze blafte maar ik weet niet wat ze zei.
©
In het huisje bevond zich geen mixer.
Ooit had ze er eentje gekocht maar nu was het ding onvindbaar.
Ze verschoot van kleur en werd er terstond akelig van.
Voorzichtig goot ze de dunne room in een grote kom, nam een garde uit de la en klopte verwoed terwijl ze op haar lip beet. Zonder slagroom zou het kerstmaal niet compleet zijn.
Ze klopte en klopte.
Eén van de gasten bespeurde ernstig ongemak op haar gezicht
en nam de kom met een joviaal gebaar van haar over.
‘Laat MIJ maar even!’
Oef. Gelukkig maar. Ze moest louter even bijkomen.
Haar hoofd bonsde.
Vervolgens werd de kom doorgegeven aan andere genodigden die zaten te popelen om handjes te laten wapperen.
Daar, temidden van kaarsjes en sterren vertelde zij haar verhaal.
Het slagroomkloptrauma.
Als meisje van zeventien werkte ze als dienstmeisje in een groot gezin. Perfectionistisch als ze was deed ze haar werk uitstekend.
Die bewuste dag, echter, zou ze assisteren bij een verjaardagspartijtje.
Terwijl ze de trap opliep naar de huiskamer riep de vrouw des huizes haar om éérst de slagroom te kloppen. Gedienstig liep ze naar de keuken alwaar een reusachtige kom room op het aanrecht stond. Ze klopte alsof het een lieve lust was en sloeg met de garde.
‘Het was vre-se-lijk!’ fluisterde ze,
‘het lukte niet! De slagroom werd niet stijf,
HOE ik ook klopte.’
Ze blééf maar roeren, inmiddels in paniek omdat het feestje in volle gang was en zij geacht werd te helpen maar dat niet kón. Toegeven dat het niet lukte was haar eer te na.
Daar alleen in de keuken zweette ze peentjes.
Uiteindelijk begon de room wat dikker te worden.
‘Het trauma komt weer helemaal boven,’
slikte ze terwijl ze de kom slagroom nonchalant van de laatste klopgast overnam. Ze roerde verhit vanwege alle emoties.
De room steeg tot aan de rand en ze toonde de verrukkelijke massa. Een staande ovatie volgde:
‘Klopklopklop!’
Hans was heel wat jaren de boezemvriend van mijn broer. Ze waren onafscheidelijk. Samen gingen ze overal heen. Ze hadden heus wel af en toe vriendinnetjes, maar op de een of andere manier maakte dat voor de vriendschap niks uit. Ze speelden in het eerste twaalftal (zo was dat toen) van een zeer bekende Rotterdamse korfbalclub. Hans was bijna twee meter lang, maar niet slungelig. Hij was vrij veel bij ons thuis en noemde mij – het kleine zusje van zijn vriend – Prullemip. Hij had de gewoonte bij aankomst mij meteen met een zwaai hoog op te tillen en dan op zijn schouders te laten staan. Dat vond ik geweldig. Ik kon dan gemakkelijk bovenop de lamp kijken. Mijn praktische moeder gaf mij een stofdoek en zei: ‘Die kan jij dan mooi even bovenop stoffen.’ Hans hield mij op zijn schouders goed bij mijn kuitjes vast en ik stofte. ‘Jullie kunnen gemakkelijk samen bij het circus’, vond mijn vader.
Hans was een rustige en heel aardige knul. Op een dag kwam hij ons zijn prachtige nieuwe gouden horloge laten zien. Hij had er enorm hard voor gespaard en in plaats van cadeautjes geld gevraagd voor zijn verjaardag. Misschien wel een paar jaar lang, dat zou best eens kunnen. Iedereen stond om hem heen en we bewonderden het klokje om het hardst. Hij straalde van trots. Let wel, hij beschikte nooit over veel geld, want hij studeerde nog.
Ik was helemaal gefascineerd door dat horloge en elke keer als hij bij ons was, klom ik op zijn schoot om het nog eens goed te bekijken. ‘Hans, mag ik het alsjeblieeeeeeft even om?’, vroeg ik dan en omdat hij Prullemip niks kon weigeren, mocht het. Mijn kleine polsje en dat grote horloge dat erom heen zwiepte, het zal wel geen gezicht zijn geweest, maar ik vond het helemaal te gek.
Echter, datzelfde horloge zorgde voor een groot drama. *onheilspellend aanzwellende muziek graag, maestro*
Mijn broer vertelde aan tafel een beetje pips wat er gebeurd was. Hans had op de korfbalclub zijn horloge in bewaring gegeven bij de beheerder. Na het trainen en douchen, had hij het weer omgedaan, want hij moest direct daarna op verjaarsvisite ergens. Hij was daarom nogal gehaast. Samen liepen ze het gebouw uit. Broer in trainingspak, maar Hans in zijn nette pak. ‘Oh, wacht even, ik ga toch nog eerst even naar de wc’, zei Hans en holde weer terug.
‘Dat is goed, dan wacht ik hier wel op je’, riep mijn broer hem na. Het gevloek van H. was buiten te horen en mijn broer rende als een gek naar binnen. ‘Wat is er? Wat is er?’, riep hij. Uit het toilet kwam gekerm en toen nog meer gevloek.
Mijn broer dacht dat zijn vriend dood ging of zo. Hij zette zijn voet tegen de post en trok de deur met haakje en al los. Daar stond Hans helemaal overstuur in de pot te kijken. Er was daar niks te zien. Wat bleek? Hij had gedaan wat hij nodig moest doen. Zijn horloge was in de haast van het aankleden blijkbaar niet goed vastgemaakt en was van zijn pols in de pot gevallen. Toentertijd had je alleen maar diepladers. Plons! Wég! Want in zijn paniek had H. doorgetrokken.
De beheerder van het clubhuis heeft nog wel een loodgieter laten komen, maar het horloge was en bleef weg. Het verhaal was komisch en wij scheurden dan ook van het lachen toen mijn broer verslag deed, maar toen Hans de dag erop bij ons kwam, hebben wij hem met ernstige gezichten gecondoleerd. Mijn goedhartige vader heeft hem een renteloze lening aangeboden voor een nieuw horloge, maar dat wou Hans niet.