Berichten met de tag:school

Examen

Door Nanos, 27 mei 2010

Examenvrees was voor mij een onbekend gegeven. Blackouts kende ik niet. Ik rolde vreesloos door het eindexamen van de middelbare school. En voor die tijd was het examen doen beperkt tot diplomazwemmen en het verkeersexamen.
Tegen de examens op de kweekschool zag ik dan ook niet op. Ik was zelfs blij dat we er aan toe waren, want ik had die paar jaar kweekschool met frisse tegenzin doorgemaakt. De schriftelijke afdeling hadden we al achter de rug. De praktijkonderdelen hadden we deels gehad. Alleen de voor mij lastige praktijk van verschillende handvaardigheden en tekenen kwamen nog, maar daar zat ik niet zo mee. Ik zou me wel redden. Al het mondeling wachtte ons nog. Eerdere ervaringen hadden me geleerd dat dat gewoon leuke gesprekken waren. En dat waren het ook tot …
Het was een heel belangrijk onderdeel, een hoofdvak dat later volgens de cijferlijst “opvoedkunde en haar hulpwetenschappen” bleek te heten. Hoe het in de wandeling genoemd werd, heb ik uit mijn geheugen gewist. We hadden er een stapelboeken voor moeten lezen en bestuderen. Dat had ik ook nog echt allemaal gedaan. Het examen begon.
Er werd me van alles gevraagd, van alles over één en hetzelfde boek. En ik had geen idee wat ze van me wilden weten, echt geen flauw idee. Hadden we het wel over hetzelfde boek? Ik kon er geen zinnig woord over zeggen. Ik voelde de irritatie van mijn lerares. Er was ook een groeiende boosheid, waardoor ze niet overging naar een ander boek. Ik wist wat ze van me dacht. Maar wat ze had bedacht als goed antwoord op haar vragen, werd me niet duidelijk.
Het resultaat van dit grandioze examen was een volle vijf en dat woog zwaar, want het mondeling telde twee keer zo zwaar als het schriftelijk. Waarschijnlijk vonden ze dat ze me gematst hadden, want ze konden mij toch niet laten zakken. Voor dit vak was een voldoende verplicht. Dank zij mijn acht voor dat schriftelijk bleef het eindcijfer nog op zes hangen.
Het cijfer kon me niet zo schelen. Het waren niet mijn favoriete vakken. Maar dat ik geen idee had waarover het allemaal ging, dat zat me dwars. Ik ging zelfs zo ver dat ik het boek nog eens uit de bieb haalde om het te achterhalen, maar ook na herlezing was het me niet duidelijk wat ik had moeten zeggen. Het voornemen de ondervraagster erover te ondervragen heb ik niet uitgevoerd. Maar het raadsel bleef me achtervolgen. Hoe kon het dat ik kennelijk de essentie van dat boek niet wist te vinden, zelfs niet achteraf. We zijn meer dan veertig jaar verder en nog steeds vraag ik me af waarom ik zelfs na herlezen niets van dat boek schijn te hebben begrepen. Want dat moet het toch geweest zijn. Het was een heel nieuw gevoel voor me. Ik ben blij dat het me nooit meer is overkomen, dit gevoel van onmacht.
Het heeft me in elk geval meer begrip opgeleverd voor mensen voor wie dit gevoel een heel gewoon gevoel is.

Lezen

Door Wieneke, 21 april 2010

Het was best heftig. Die eerste schooldag. Al die vreemde kinderen, een juffrouw die zei, dat we met onze armen over elkaar moesten zitten en goed opletten. We mochten een kwartiertje op het schoolplein spelen, maar daar renden ook allerlei veel grotere kinderen rond. Beetje eng dus. Er was geen lijmpot te bekennen en er waren geen gekleurde papiertjes om een plakwerkje te maken. Er was ook geen poppenhoek. Dat hoorde bij de kleuterschool allemaal. Wij waren nu grote kinderen, die ernstig moesten leren lezen en schrijven. We zaten twee aan twee in een houten bank. Daarop legde de juf een leesplankje en een rond blikje met daarin losse lettertjes. We leerden zomaar twee letters. De A en de P (uitgesproken als de ah en de puh). Zo konden wij het woord AAP maken en dat was dan tegelijkertijd het eerste woordje van de leesplank. Ik was er helemaal opgewonden van, want gossie, nu kon ik eindelijk zelf lezen.

Mijn moeder stond met een zootje andere zenuwachtige moeders te wachten bij het hek van het schoolplein. Ze stond er natuurlijk al een kwartier te vroeg, want ook voor haar was het een bar heftige gebeurtenis. Haar jongste spruit naar de grote school. Ze vroeg hoe het was geweest. Leuk? Ja, het was erg leuk. Lieve juf? Ja, heel lieve juf.
Eenmaal thuis rende ik naar de boekenkast en pakte daar ‘Flierefluiter’s oponthoud’ van A.M. de Jong. Met het boek op mijn knieën zat ik ingespannen te lezen. Verbaasd gadegeslagen door mijn moeder. Mijn vader kwam ook even horen hoe het gegaan was.
‘Zozo, dat doen ze tegenwoordig wel erg snel’, mompelde hij. Maar mijn moeder zag dat het wel meeviel met mijn leeskunde.

Ik was zo’n kind dat heel veel voorgelezen werd. Er waren nogal veel ‘grote mensen’ bij ons thuis, dus ik kon er altijd wel eentje paaien, die – soms blijmoedig en soms zuchtend – een stukje voorlas. Mijn vader nam trouw het verhaal voor het slapengaan voor zijn rekening. Als hij er eens niet was, dan nam mijn moeder de zaken waar, maar dat was toch niet helemaal hetzelfde. Als er door sommigen slordig werd omgesprongen met de tekst, die ik bij de meeste boeken helemaal uit mijn hoofd kende, dan corrigeerde ik meteen. Een zin overslaan uit pure luiheid? ‘Heeee, dat staat er niet, hoor, je vergeet wat’, piepte ik dan streng. Zelf kunnen lezen, dat leek me helemaal het einde. Ik denk dat ik tot de laatsten behoorde, die nog met het aloude leesplankje hebben gewerkt. Wij hadden ook nog van die leuke romantische schoolplaten van Cornelis Jetses in de klas hangen. In Roden is het museum Kinderwereld. Daar hebben ze nog veel ouderwetse leermaterialen bewaard. Ik meen, dat ik in het Speelgoedmuseum in Deventer ook wel het een en ander heb gezien op dat gebied. Een feest van herkenning voor mijn en de eerdere generaties.

(klik op de aap voor het hele leesplankje)

Andere tijden

Door Thérèse, 7 april 2010

(Tijd: ong. 1977-1984. Plaats: Hoogkarspel)

Wij gaan nu even terug in de tijd, niet zo heel ver dit keer, maar ongeveer naar de basisschooljaren van onze zoons, dus even rekenen…..het begon, denk ik, in 1977. Toen werd ik en vele andere moeders in het dorp gevraagd te komen helpen.

Er werden leesmoeders gezocht, keuzehobby-uurmoeders, rekenmoeders en later zelfs ook nog hakketakmoeders. Rustig maar, ik leg het u allemaal uit.

Ik begon als leesmoeder. Twee keer per week kwam ik in de eerste klas bij die schattige kindertjes, die net met lezen begonnen waren. Ze hadden allerlei kaartjes waarop woordjes stonden en verschillende letters, kortom deze leesmoeder is het precieze ervan totaal vergeten. Maar het was gezellig. Je werd meestal aangesproken met “moeder van…” door de kinderen. Zo kon het gebeuren dat ik plots een jongetje met een beetje zware stem hoorde zeggen: “Moeder van M., mag ik u een kus geven?” Ha, dat mocht, dat voelt u wel, hè?

Later kwam het echte lezen: het niveau lezen, door de kinderen –ja, wisten zij veel- ‘nívolezen’ genoemd, met de klemtoon op de i. Men las op zijn/haar eigen niveau. Dat was ook heel gezellig, de meeste kinderen deden het met plezier.. Er waren veel kinderen, die oorspronkelijk uit A’dam afkomstig waren. Zo hoorde ik een jochie eens reuze zijn best doen: “….de sjon die sjeen sjo heerlijk sjoon….” Intussen las ik in twee klassen, in die van de jongste en die van de oudste zoon. Vier maal extra heen en weer fietsen.

In de zesde klas had ik een groep van drie zich heel moeilijk concentrerende jongetjes. Of ik er nog enig succes mee geboekt heb, dat weet ik niet. De ene zat meer onder de tafel dan dat hij in zijn boek keek en de andere zat meestal met een lekkende vulpen wat te tekenen en de derde zat te suffen, dacht ik. Als ik moest noteren in een schrift waar we gebleven waren –meestal nog geen hele bladzijde verder- reikte die ene knaap behulpzaam zijn vieze vulpen aan om mij terwille te zijn, heel aardig, hoor! Zelf zat hij na het nivolezen ook helemaal onder de inkt. Ik overlegde natuurlijk wel eens met juf, of ik het wel goed deed, zoals het ging. “O ja” zei zij, u heeft veel geduld, ze komen met plezier bij u; allicht leren ze dan wat.!”

Later ben ik nog keuzehobby-uurmoeder geweest, zelfs rekenmoeder (brrr); ik zou u daar ook nog heel wat over kunnen vertellen. Misschien komt dat nog een keertje…..Alleen voor hakketakmoeder heb ik bedankt. Het woord alleen al. Dan moest een moeder de kinderen helpen met allerlei moeilijke woorden in een schrijft te schrijven, het zogenaamde hakketakschrift. “Ja, ’t is goed!” zei ik tot mijzelf. “Dat wordt mij te gek! Ze hakketakken maar zo veel ze willen, maar dan zonder mij.” Een hakketakmoeder, zegt u nu zelf.

Tijden veranderen. Ze zijn er, denk ik niet meer, al die steuntroepen ( soms ook vaders een enkele keer; was ik vergeten, sorry.) Andere tijden, lieve lezers. Toch heb ik daar hele goede herinneringen aan en er kwamen veel vriendschappen uit voort, zowel tussen de kinderen als tussen de moeders.

Pindabakjes

Door Bettie, 17 maart 2010

Zouden er nog mensen zijn die ze gebruiken, pindabakjes? Deze waren van mijn moeder en die gebruikte ze zeker. Ik niet, maar ze mogen toch nooit weg.
Dat is trouwens wel bijzonder nu ik er over nadenk, want ooit hebben pindabakjes mij zeer gefrustreerd.
Ik trad aan op de kweekschool toen ik net zeventien was. En tot op dat moment had ik nog nooit handvaardigheid gehad. Op de lagere school hadden de meisjes handwerken en de jongens timmeren. Ik was een meisje en dat vond ik toen erg jammer. Op de middelbare school hadden we wederom handwerken. En hoe het kan weet ik niet, want ik had twee buitengewoon handige ouders, maar van mezelf ben ik heel onhandig. Enfin, op die kweekschool dus, moest er gegutst worden en wel een pindabakje. Wij kregen daartoe een stuk hout en gingen aan de slag. Het zou kunnen zijn dat ik enthousiast aan de slag ging. Maar enthousiast of niet, ik gutste door de bodem heen. De leraar, meneer W. bleef nog even redelijk vriendelijk en leverde nieuw hout. Helaas ook deze keer ging ik door de bodem. Om kort te gaan, dat gebeurde nog twee keer en toen vond meneer W. het wel genoeg. Ik kreeg geen hout meer, wel een dikke onvoldoende. Heel gek dat ik me van verdere werkstukken niets, maar dan ook niets kan herinneren. Waarschijnlijk heb ik alles verdrongen door dat gutsen. Stom bakje!

Für Elise

Door Bertie, 2 maart 2010

Toen ik in de eerste klas van een middelbare school zat bracht een jongen uit een van de hoogste klassen dit pianostukje, op een schoolfeest.
Dat was dapper, popmuziek vierde ook toen al hoogtij.
Ik was meteen verliefd; op de jongen uiteraard maar dat besefte ik niet. Ademloos volgde ik zijn handen, gezicht, zijn concentratie. Hij speelde het voor míj, wist ik, ik was Bertie maar ook Elise. Dromend volgde ik het stuk.
Andere -grotere- meisjes droomden hetzelfde, zo bleek uit het donderend applaus. Ik begreep dat hij een brugklassertje niet zag staan; maar had er vrede mee. Voor een twaalfjarige was wegdromen het belangrijkste.

Dit filmpje is tevens leuk voor de liefhebbers van technische muziekzaken:
Je ziet niet alleen de spelende handen maar ook de toetsen, notenbalk en de toonband.

(eerder geplaatst 25 oktober 2009 op shortstories.web-log)

Het communieboekje

Door Karin, 22 februari 2010

Ik ging pas in het tweede leerjaar naar de Katholieke basisschool en kwam terecht in het klasje van de non: zuster Alfonsa Frederika Hendrieka.
Klein van stuk.

Zij ving mij op, leerde me héél netjes schrijven tussen de lijntjes en ook borduren. De rijgsteek, de koninginnensteek. De zuster doopte altijd een Maria koekje in de thee. Ze had een tic, weet ik nog. Zuster Alfonsa. Een snel bewegend tongetje. (Rita Verdonk heeft ook een snel bewegend tongetje maar de zuster bewoog dat tongetje nog véél sneller. Dit even terzijde)

Op het zijtafeltje stond een grote puntenslijper met een hendel.
De zuster had het druk met potloden slijpen en ik werd rustig van dat snerpende geluid tijdens het maken van opstellen.
Ik vond haar best lief.

Eén voorval ben ik echter niet vergeten:

Wij waren in het bezit van een communieboekje.
Elke vrijdag werden wij geacht dat boekje mee naar school nemen.
Er waren altijd wel enkele kinderen die het boekje niet bij zich hadden. Op een dag werd de zuster zó kwaad dat ze dreigde de kinderen te straffen en in het keldertje op te sluiten als zij het boekje zouden vergeten.

Die bewuste vrijdag had iedereen het communie-boekje bij zich. Behalve ik en Joséetje van Lier.
Joséetje woonde om de hoek, dus na haar tranen gedroogd te hebben rende ze gauw naar huis om het boekje alsnog te halen. Maar ik kwam van verre. De schrik sloeg me om het hart. Opgesloten te worden in het keldertje was doodeng.
Ik voelde de grond onder me vandaan zakken. Al op het schoolplein begon ik te snikken. Even later lag ik met schokkende schoudertjes aan mijn tafeltje.
Ontroostbaar. Zuster Alfonsa Frederika Hendrieka liep met glaasjes water af en aan. ‘Zó had ik het niet bedoeld!’ zei ze alsmaar.
Ik kreeg poëzieplaatjes van haar als troost.

PS: In het communieboekje moesten wij noteren wat voor ons het hoogtepunt van de zondag was in het kader van ons geloof.

Ik tekende mijn opoe die snoep uitdeelde.

De Kloete

Door Dwarsbongel, 12 februari 2010

Zo luidde de bijnaam van een van onze leraren op de LTS. Hoe hij aan die bijnaam kwam ben ik nooit te weten gekomen. Van 1957 tot 1960 heb ik enkele uren per week les van hem gehad.
Woensdag kwam hij in mijn herinnering door een telefoongesprek met een schoonzus. Het ging over het belang van kennis.

Meneer Arends (zijn echte naam) was onze leraar Technische Beginselen. Hij vertelde een verhaal over een fabriek, die geheel tot stilstand was gekomen, omdat een belangrijke machine het had begeven. Iedereen in het bedrijf die ook maar iets van die machine wist, was er al bij geweest, maar niemand kreeg hem aan de praat.
Dus werd er iemand opgetrommeld van de fabriek waar die machine gemaakt was. Keurig in het pak, met een aktentasje onder zijn arm kwam hij binnen. Hij stelde een aantal vragen, liep eens om de machine heen en inspecteerde alles er omheen. Hij stelde nog twee vragen aan de mensen die er altijd mee werkten. Toen pakte hij een hamertje uit zijn tas, deed zijn jasje uit, stroopte één mouw op. Hij maakte een deurtje van de machine open en gaf binnenin een tikje met zijn hamertje.
“Zo,” zei hij, “probeer het nu nog maar eens.” En de machine liep weer als een tierelier.
Iedereen blij, iedereen hard aan het werk om de achterstand in te halen, en de man werd vriendelijk bedankt.
Een week later kwam de rekening, zegge HFl. 100,00 (het waren de 50er jaren). Nader gespecificeerd: HFl. 1,00 : klap met hamer; HFl. 99,00 : weten waar de klap te geven.

Dezelfde leraar vertelde waarom er afschermkapjes over draaiende delen van machines moeten zitten. In een fabriek kwam een man met de mouw van zijn overall tussen een paar tandwielen, omdat daar een afschermkapje ontbrak. Voordat iemand de machine had kunnen stoppen, was een deel van de arm van de man vermorzeld. Tragisch voor de man, en het kostte het bedrijf nog heel veel geld ook, want de man kon niet meer werken door het in gebreke blijven van het bedrijf. Het ontbrekende afschermkapje werd toen in allerijl gemonteerd. Het kapje kostte HFl. 2,50…

Meneer Arends gaf ook Technisch Tekenen. Voor het begin van de eerste les na de grote vakantie was het een puinhoop in het tekenlokaal: er werd met vliegtuigjes gegooid en geduelleerd met tekenhaken. Het geluid van een herfststorm werd aardig benaderd.
Meneer Arends kwam binnen, de deur zat achterin het lokaal. Met zijn aktentas in de hand liep hij onverstoorbaar door het zijpad dat hele lange lokaal door. Hij zette zijn tas op de balie waarin alle tekeningen werden opgeborgen, trok zijn jasje over zijn hoofd, dook achter de balie en brulde boven alle lawaai uit: “Ik heb vannacht gedroomd dat het vandaag in 3E heel rustig zou zijn!”
Daarmee had hij de lachers op zijn hand. Maar iedereen kende hem, en wist ook dat er met hem niet te spotten viel. Hij hoefde nooit iemand naar de directeur te sturen!

Zo had een van mijn klasgenoten een keer, voor aanvang van de les, een punaise op zijn stoel gelegd. Zo’n tekenles duurde 100 minuten. In dit lokaal was de deur vóór in het lokaal. Meneer Arends kwam binnen, zette zijn tas weg en gaf opdracht om de tekeningen uit te delen. Hij ging zitten zonder enig blijk van punaisegevoeligheid. Geloof het of niet, die opdracht ging naar de jongen die de punaise had geplaatst. Iedereen ging aan het werk. Meneer Arends gaf zittend uitleg wat vandaag de bedoeling was en verdiepte zich vervolgens in een boek. Vragen beantwoordde hij vanaf zijn stoel.

Pas halverwege de les kwam hij overeind en liep eens even bij iedereen langs. Kort voor het einde van de les werden alle tekeningen en tekengereedschappen opgeruimd. Huiswerk werd genoteerd en tassen gesloten.
Iedereen stond al in de starthouding naast zijn tekentafel toen de zoemer ging. Er was niets gezegd over de punaise. Geen blijk van ongemak, niets!

Maar toen iedereen naar de deur stormde, stond meneer Arends in de weg en hield de deur dicht: “Eerst nog even iets anders, jongens. Ga even terug naar je plaats.”
“Wie heeft er een punaise op mijn stoel gelegd?” Geen reactie; je klasgenoten verraden doe je niet.
“Jongens, ik vraag het nog één keer, en als ik geen antwoord krijg, blijven jullie allemaal na, laten we zeggen tot zes uur.” Het bleef nog een poosje stil, toen stak Jan zijn vinger op: “Ik heb het gedaan meneer.” Jan stond bekend als een sportieve vent, hij wou niet dat we allemaal de pineut waren. Hij wist ook dat er jongens bij waren die een uur nodig hadden om naar huis te fietsen. Zelf woonde hij op loopafstand.
“Oke Jan, kom maar even bij me staan.” Hij pakte Jan, die een kop groter was, bij de schouder: “Draai je maar even om.” Jan kreeg een schop in z’n kont: “Zo, nou zijn we quitte. Maar als ik morgen bloedvergiftiging aan m’n reet heb, dan is het jouw schuld. En nu kunnen jullie gaan. Tot volgende week”.

(eerder geplaatst 6 februari 2010 op dwarsbongel.web-log.nl)

Hoe ik niet naar de HBS ging

Door Wieneke, 9 februari 2010

Het hoofd van mijn lagere school zei op zekere dag tegen mijn moeder: ‘Mevrouw, uw dochtertje kan wel naar de HBS, denken wij. Is het goed dat ze in het speciale opkweekklasje meedraait?’
Mijn moeder zei: ‘Leuk! Doe maar!’ en dus kreeg ik samen met nog vier of vijf kinderen extra sommen en extra taallessen van onze eigen klasseonderwijzer een uur lang na de gewone schooltijd. Wij deden aan zinsontleding tot het ons de strot uit kwam. Wij rekenden ons finaal het habbiewabbie, kan ik me nog herinneren. Maar het was toch best gezellig en ik vond het niet zo erg. Enfin, het toelatingsexamen was op een gegeven moment daar. We moesten naar de aula van de HBS om daar aan houten tafeltjes staartdelingen te maken en ……. juist, zinnen te ontleden, aardrijkskunde vragen te beantwoorden en begrijpend te lezen.
Ging allemaal goed, behalve het rekenwerk. Ik ben niet goed in rekenen. Nog steeds niet. Daarom moest ik voor dat rekenen een herexamentje doen. Mondeling. Weer in het gebouw van de HBS. Ik fietste er naar toe en meldde me bij de concierge. Ik werd door hem naar een totaal verlaten gang gebracht waar een bank stond. Daarop moest ik gaan zitten met zicht op de deur van het lokaal waar een leraar mij zou binnenroepen.
Ik wachtte een hele tijd en zat daar erg zenuwachtig te zijn. De deur met daarin een ruitje ging alsmaar niet open, maar ik hoorde wel gemurmel van stemmen.
Opeens kwam er een heel erg blonde jongen over de gang aanlopen. Toen hij langs de deur liep, ging hij op zijn tenen staan en keek door het ruitje naar binnen. Daarna liep hij door en verdween uit het zicht.
De deur ging na nog een minuut of vijf open en er kwam een jongen naar buiten, die zei dat ik naar binnen mocht. Nietsvermoedend stapte ik het lokaal binnen en liep naar de tafel van de leraar toe, die iets zat op te schrijven. Hij keek niet eens naar me.
‘Dag meneer’, zei ik bedeesd. Hij bleef schrijven. Na wat mij een uur toeleek keek hij op en vroeg kortaf mijn naam. Hij wees naar het schoolbord en daar stond een som. ‘Je hebt zeker de uitkomst wel goed kunnen zien?’, zei de man chagrijnig. Ik keek hem niet begrijpend aan. ‘Ja, houd je maar niet van de domme. Ik zag je wel naar binnen kijken door het raampje.’ Hoe ik ook betoogde, dat ik dat niet was geweest maar een langslopende jongen, hij geloofde me niet. Waarschijnlijk omdat ik een knalrood hoofd had en haast doodging van ellende. Hij keek alsmaar sarcastisch naar mijn eveneens witblonde haren.
Op dat moment wist ik van de zenuwen niet eens meer hoeveel 1 + 1 was en ik maakte dan ook helemaal niks van die som. En ook niet van andere sommen. Half huilend ging ik weg, met een briefje dat ik afgewezen was voor de HBS. Nog behoorlijk overstuur kwam ik thuis. Mijn vader zei meteen lakoniek: ‘Nou, lieverd, dan ga je fijn naar de MULO’. Maar mijn moeder was enorm kwaad. Niet op mij, maar op die leraar. Ze belde meteen de directeur van de HBS op om hem het verhaal te vertellen. Maar die deed wel begrijpend, maar bleef vierkant achter zijn leraar staan. Hij bood aan, dat ik naar de MMS kon, die in hetzelfde gebouw was. Maar dat wilde ik absoluut niet. Bah, met alleen meiden in de klas, nee hoor! Ik wilde op dat moment helemaal niks meer, dus ook een andere HBS kon me gestolen worden. Mijn moeder was verontwaardigd en belde achtereenvolgens het hoofd van de lagere school, mijn klasseleraar, mijn zus en mijn broer op. Maar allen adviseerden haar om – hoe oneerlijk het ook was gegaan – mij gewoon eerst naar de MULO te sturen en later dan eventueel alsnog naar de HBS.
‘Die MULO doet ze op haar sloffen, mevrouw, ma!’ zeiden ze. En ze hadden helemaal gelijk. Toen ik eindexamen deed in 1968 werd de HBS opgeheven vanwege de Mammoetwet.

Engeltje

Door Lien, 31 januari 2010

Ik was een beetje bang voor de meester van de zesde klas.
Hij was nieuw op onze school en erg aanwezig. Al was hij, bij nader inzien, niet zo groot.
Ik zat in de vijfde en mocht samen met een klasgenootje een week lang koffie rondbrengen.
Een erebaantje.
We verdeelden de taken heel eerlijk.
Om de beurt droeg de een de grote koffiepot en de ander de suiker en melk.
De eerste keer dat we bij de meester van de zesde klas aanklopten, durfde ik niet naar binnen: “Ga jij maar,” siste ik naar mijn klasgenootje.
Mijn klasgenootje liep naar binnen maar ik hoorde de meester met zijn kenmerkende stem roepen: “Wie staat daar achter die deur?”
Ik durfde me niet te bewegen.
“Morgen ga je gewoon naar binnen hoor,”vond mijn klasgenootje, “Hij eet je echt niet op.”

Vanaf toen ging ik, lichtelijk bibberend, naar binnen en het koffieschenken lukte wonderwel goed.
Een hekel had ik aan het kleine blikje koffiemelk waarin twee gaatjes zaten. Je moest de bovenkant indrukken en tegelijkertijd schenken. Dat ging meestal mis bij de meester van de zesde klas.

Toen ik zelf in de zesde kwam, was ik elf jaar oud. Een vroege leerling.
En inmiddels niet meer zo bang voor de meester.
De meester was nog steeds erg aanwezig en had moderne ideeën.
Hij vergeleek onze zesde klas met een springplank, we stonden op het punt een grote sprong te maken in het diepe bad dat “De Toekomst” heette. En de aanloop was erg belangrijk.
Daar was ik wel van onder de indruk.
Hij leerde ons volksdansjes, iedere vrijdag in de gymzaal.
En zingen “met een hete aardappel in de keel”.
En hij hield van ons, zei hij.

Mij noemde hij: Engeltje.
In plaats van Angelien.
Dat was minder leuk.
“Engeltje…”
Op het moment dat klasgenoten mij zelfs zo gingen noemen, werd het me te gortig.
“De volgende keer houd ik mijn mond stijf dicht,” vertrouwde ik een vriendinnetje toe.
Ik hoefde niet lang op dat moment te wachten, weldra klonk het markante stemgeluid door het klaslokaal: “Éngeltje..”
Ik reageerde niet.
“ENGELTJE”, klonk het nog een beetje luider.
Klasgenootjes stootten mij aan: “Hij heeft het tegen jou hoor.”
Ik reageerde nog steeds niet.
Mijn vriendinnetje riep: “Meester, ze vind het niet leuk dat u haar Engeltje noemt, dáárom zegt ze nu niks.”
“Ach, vind je het niet léuk dat ik je Engeltje noem?” fleemde de meester.
En hij kneep me in mijn wangen.
Daarna heeft hij me nooit meer zo genoemd.

Mijn opluchting duurde helaas niet erg lang.
Want al snel had hij een nieuwe bijnaam voor me gevonden: Gloria.

Carnaval

Door Bertie, 27 januari 2010

Lang geleden, in de vierde klas van de (toen nog) Lagere School, heb ik voor het eerst carnaval gevierd. Het was een katholieke meisjesschool in de Zaanstreek. De non die ons les gaf vertelde met overgave van dit feest, dat in Brabant zo prachtig gevierd werd, volgens haar. Over de verkleedpartijen sprak ze, de liedjes en vooral over het plezier dat de kinderen aan deze traditie ontleenden. Ze stelde voor om het in deze klas ook eens te vieren en op carnavalsdinsdag verkleed op school te komen; iedereen had wel ergens een hoedje, mombakkes, oude schoenen of een ander grappig artikel in huis, meende ze. We zouden hossen op zelfgezongen muziek: ‘t Hermenieke van Bergeyk’, volgens haar het toppunt van Brabantse leut.
Verlegen kind als ik was had ik er niet veel zin in maar ik durfde niet níét mee te doen. Ik vertelde het mijn moeder pas op het laatste moment, op de dag dat het feest zou aanvangen. Weinig tijd dus om een verkleding te versieren. Maar moeder, een extraverte en opgeruimde vrouw vloog enthousiast van haar stoel, vervuld van goede bedoelingen. ‘Kind, wat ééénig,’ riep ze en dook meteen in de voddenzak. Hier was ik al bang voor, haar buitenissige gevoel voor humor kennende en ja, daar kwam een grauwzwarte rok naar boven. Ze klopte de kreukels eruit en ik moest passen. Een bloes volgde, met gerafelde manchetten (het was niet voor niets een voddenzak) waarvan de knopen waren afgetornd. Ook dit moest ik aan. Ze keurde me en nam een nieuwe duik waarbij ze een schort, voorheen gebloemd, opviste. Met spelden en elastiekjes sjorde ze net zo lang tot de spullen aan mijn lijf bleven hangen. Ze keurde nogmaals. Beknepen zei ik dat dit genoeg was, ‘meer hoeft niet, alleen wat lippestift, toe nou,’ maar ze luisterde niet en haalde nog een worteldoek tevoorschijn, een bruine lap met paisley-achtige motieven. Die werd om mijn schouders gedrapeerd, halfvergane franjes treurden op mijn rug. En nog was het niet genoeg. Uit het dressoir toverde ze een oeroude, bleekroze feestneus-met-snor, aandenken van een bruiloft. De afgang was compleet.
Bijna in tranen stond ik voor de keukenspiegel, rondkijkend naar een reddingsboei. Die vond ik in broertjes speelgoed, een zwart boevenmasker.

Ál een haas rende ik naar school, probeerde niet te letten op de overige klasgenootjes die er heel wat normaler uitzagen in hun opoemutsjes, bloemenhoedjes en namaaksproeten.
Ik vloog de schoolpoort in.
De zuster bekeek me, fronste en plaatste me achter in de rij die we moesten vormen om al hossende en zingende de rest van de school te vermaken.
Met verlegen, linkse passen bonkten we door de lokalen waar vooral de eersteklassertjes verstijfd van schrik wachtten tot de bezoeking voorbij was.
Daarna kregen we ranja. De feestsnor hing treurend in het glas; de zuster gebood me de neus af te doen.

Carnaval in Noord-Holland, hoe verzint iemand het.

Panorama Theme by Themocracy