Op de boerderij
Vandaag fietste ik langs de boerderij waar ik vroeger als kind een vriendinnetje had. Vanaf de kleuterschool waren we vriendinnen en speelden en logeerden bij elkaar. Als ik dan bij haar gelogeerd had rook ik helemaal “naar boerderij”.
We plaagden elkaar door stiekem zout in plaats van suiker in elkaars thee te doen.
We mochten een keer mee aardappels rooien. Met z’n allen op de trekker. Da’s nog best hoog, vooral als je zo klein bent. We mochten ook mee naar de klompenmaker, dat vond ik altijd een hele belevenis. Zo’n hele ruimte vol met hout en klompen en klompen in wording en de klompenmaker die dan bezig was met zijn werk.
Er was een bepaald weggetje dicht bij de boerderij waar we niet naartoe mochten want daar waren “enge mannen”. Op een gegeven moment gingen we tóch dat weggetje in en ja hoor daar kwam al zo’n enge man achter ons aan. Op de fiets al zwaaiend. Ik fietste steeds harder terwijl mijn vriendinnetje riep. Ik dacht om me aan te sporen nóg harder te fietsen maar ze riep dat het haar vader was…. Die was dus ziedend.
Ik herinner me dat er een kalfje geboren moest worden. Ik zie de vader van mijn vriendinnetje nog staan trekken: de kop en de voorpoten waren eruit en ze hadden een touw om de voorpoten gebonden, daar een stok tussen vastgemaakt en zo probeerde de vader van mijn vriendinnetje het kalf eruit te trekken, het wilde maar niet vlotten, de noabers werden opgetrommeld, het duurde heel erg lang. Daarna heerste er een bedompte stemming op de boerderij: het kalfje had het niet gehaald.
Op zich is dat gelukkig allemaal goed afgelopen, maar helaas niet voor Noortje.
