Berichten met de tag:spelen

Op de boerderij

Door Alice, 9 april 2010

Vandaag fietste ik langs de boerderij waar ik vroeger als kind een vriendinnetje had. Vanaf de kleuterschool waren we vriendinnen en speelden en logeerden bij elkaar. Als ik dan bij haar gelogeerd had rook ik helemaal “naar boerderij”.

We plaagden elkaar door stiekem zout in plaats van suiker in elkaars thee te doen.

We mochten een keer mee aardappels rooien. Met z’n allen op de trekker. Da’s nog best hoog, vooral als je zo klein bent. We mochten ook mee naar de klompenmaker, dat vond ik altijd een hele belevenis. Zo’n hele ruimte vol met hout en klompen en klompen in wording en de klompenmaker die dan bezig was met zijn werk.

Er was een bepaald weggetje dicht bij de boerderij waar we niet naartoe mochten want daar waren “enge mannen”. Op een gegeven moment gingen we tóch dat weggetje in en ja hoor daar kwam al zo’n enge man achter ons aan. Op de fiets al zwaaiend. Ik fietste steeds harder terwijl mijn vriendinnetje riep. Ik dacht om me aan te sporen nóg harder te fietsen maar ze riep dat het haar vader was…. Die was dus ziedend.

Ik herinner me dat er een kalfje geboren moest worden. Ik zie de vader van mijn vriendinnetje nog staan trekken: de kop en de voorpoten waren eruit en ze hadden een touw om de voorpoten gebonden, daar een stok tussen vastgemaakt en zo probeerde de vader van mijn vriendinnetje het kalf eruit te trekken, het wilde maar niet vlotten, de noabers werden opgetrommeld, het duurde heel erg lang. Daarna heerste er een bedompte stemming op de boerderij: het kalfje had het niet gehaald.

Lolobal

Door Nanos, 15 maart 2010

Eén van de vele rages die we voorbij zagen komen, is die van de lolobal, een plastic schijf met boven- en onder een halve bal. Het is de bedoeling dat je je voeten op de schijf aan weerszijden van de halve bal plaatst en dan kun je met/op het geval springen.
Mijn jongste dochter was toen een jaar of zeven en zeurde me de kop gek om een lolobal. Ik zag het niet zo zitten met die dingen. En het was ook nog eens zo, dat zeuren een averechts effect had. De pret ging dus niet door.

We gingen in de tijd regelmatig naar de stad en op een van die keren gebeurde het, dat we langs Bart Smit kwamen en daar een papier op de etalageruit geplakt zagen. Doorgaans, als we dat al zien, is dat voor ons geen reden over te steken om te kijken wat het is. We moesten er voor naar de andere kant van de winkelstraat, die wel smal en alleen voor voetgangers, maar ook druk was.
Die keer deden we dat, zonder er een reden voor in ons hoofd te hebben.
Op het papier stonden een paar namen en een ervan was die van onze dochter. Er was iets geweest (een soort prijsvraag?) waar ze aan mee had gedaan. En ze had iets gewonnen!
Man en dochter verdwenen de winkel in, andere dochter en ik bleven buiten.
Ik zie nog het triomfantelijke gezicht waarmee het kind de winkel weer uit kwam. Je voelt het al: Haar prijs was een lolobal! Hij had een gele schijf en de bal was rood.
Het ding heeft daarna nog jaren bij ons in de garage gelegen. Er is veel mee gespeeld. En hij blééf maar heel.
Het kind ook, gelukkig.

(eerder geplaatst op 25 januari 2005 op mijn inmiddels verdwenen weblog)

Klaverjassen

Door Rob, 28 februari 2010

Met studeren had het in het geheel niets van doen. Maar het was toch een ijzeren voorwaarde om de avonden op een koude kamer alleen achter de boeken te kunnen doorbrengen. Voor ons althans wel. En daarom troffen we elkaar drie, vier keer per week een paar uur in de vooravond na het eten bij Hoppe op het Spui in Amsterdam. Want we wilden toch een huiskamergevoel met elkaar delen, Cor, Simon, Guus en ik, jongens uit de provincie die zo maar in de grote stad waren verzeild geraakt en enig houvast zochten en nodig hadden. Dus werd dat bruine café de plaats om naast ons obligate debat over de actualiteit van de dag met elkaar een kaartje te leggen, om te klaverjassen. Zo behoorden we al snel tot de vaste klantenkring, wat zijn subtiele bekroning kreeg in een reeks van stappen, te beginnen bij het moment waarop elke ober onze voornamen kende en wist wat ons gebracht moest worden, tot aan de speciale bereiding van de koffie toe. Waarmee we dus al half en half glorieerden en ons een eind op weg waanden naar de verkrijging van de speciale status die je toch bij een café als Hoppe destijds moest verdienen en waarop de eigenaar, Harry Mustert himself, nauwgezet toe bleef zien.

Dus kon het uiteindelijk, o dag van triomf, gebeuren dat wij onze vaste tafel kregen. Niemand die het in zijn hoofd durfde of moest halen om eraan te gaan zitten als wij er werden verwacht. Wij hadden onze plek verworven, veroverd, om die een paar jaar niet meer af te hoeven staan. Het aantal spellen dat er door ons is gespeeld, moet in de duizenden hebben gelopen en onze reputatie had zich gevestigd, was mijn stellige gedachte. Maar alles vervliegt en verandert, zelfs het oudste bruin van café Hoppe, dus ook de herinnering aan het verleden, merkte ik toen ik daar weer eens belandde na er bijna veertig jaar niet meer te zijn geweest. Eén ding bleek de tand des tijds te hebben doorstaan. Ons kaarttafeltje stond nog steeds op dezelfde plaats en oogde precies zoals op die novemberavond in 1969, toen we er voor het laatst van waren opgestaan. Zelfs het hoekje rechtsboven in de glasplaat erop kende nog altijd die kras die ook in mijn geheugen bleek te zijn gegrift. Ik zette mij eraan en dacht aan al die kaarten die ik er heb geschud. Niemand die ik ken, die er even handig mee is. Waarmee al die koppen koffie en vaasjes Amstel toch nog wat hebben opgeleverd, mag ik nu dus wel licht melancholisch zeggen.

(eerder geplaatst 28 maart 2008 op robhamilton.web-log)

Buitenspelen

Door Hans, 14 februari 2010

“Ga maar lekker buitenspelen”, was een veel gehoorde kreet bij ons thuis. Mijn moeder had elf kinderen en als er een aantal buiten waren gaf dat wat rust en ruimte in die eengezinswoning in Haarlem-Noord. Buitenspelen in die tijd bestond vaak uit het heen en weer steppen op de stoep. Soms was het knikkertijd, of hoepeltijd of moest er getold worden met een priktol. Een van mijn zusjes was een kei met de zweeptol, maar dat ging mij niet al te goed af. Bij mij vloog de tol vaak een onbedoelde kant op zodat de ruiten van het ouderlijk huis of dat van de buren groot gevaar liepen te sneuvelen. Hinkelen was meer voor meisjes, touwtjespringen ook. Voetballen was weer niets voor mijn zusjes en je had daarvoor eigenlijk ook wat meer ruimte nodig dan op de stoep voor ons huis beschikbaar was. Mijn vriendje Peter woonde in de Laurierstraat. Dat lag wat meer binnen in de wijk en was nog bijna helemaal autovrij. Daar was in die tijd ook nog geen elektrische straatverlichting. Als het donker werd kwam de lantarenaansteker met een laddertje die hij tegen de lantarenpaal zette. Het glas oplichtte het gaskraantje opendraaide en eventueel het kousje verving om vervolgen het licht te ontbranden. Ik las laatst dat het zo bleef tot 1960 of zo. Hoe dan ook bij Peter in de straat was het helemaal heerlijk spelen. Zo deden we er pinkelen. Een spel met een stukje hout die aan twee kanten aangepunt was, het pinkeltje. Dan had je een stok en daarmee moest je op het puntje van het pinkeltje slaan, waardoor het pinkeltje omhoog sprong. Vanuit de lucht moest je hem dan wegslaan en de andere kinderen moesten die dan zien te vangen. Enfin de finesses van het spel vond ik onlangs terug op dit weblog , maar ik zie mij nog languit op de klinkers liggen, midden op straat, want je moest tijdens het slaan contact houden met het putdeksel dat als buutplaats dienst deed.
Op een dag dat we weer gingen buiten spelen, had mijn broer een parachute gemaakt. Aan de vier punten van een zakdoek had hij een touwtje bevestigd en die samengeknoopt aan een steentje. Als hij die liet vallen vouwde de zakdoek zich soms open en dwarrelde naar beneden. Om de pret wat te rekken wierp hij de zakdoek omhoog om zo een wat langere afdaling te hebben. “Je moet de zakdoek goed opvouwen, zodat je hem hoger kan gooien”, stelde ik voor. Mijn broer wikkelde de touwtjes om de opgevouwen zakdoek en gooide die zo hoog als hij kon. Verhip, de zakdoek bleef steken in een van de bomen voor ons huis. Het was een goede parachute (zakdoek), dus moest ie terug. Eerst gooiden we met een stok naar de zakdoek. Maar opeens bleef de stok eveneens in de takken van de boom hangen. Goede raad was duur. De boom was te dun en had geen lage zijtakken, zodat erin klimmen geen optie was. Daar vond mijn broer een losse baksteen, waarmee je prima kon gooien. Eerst gooide mijn broer. Mis. De steen werd opgehaald en nogmaals gooide hij. Weer mis. Ik haalde de steen op en nu mocht ik gooien. Ook mis. Weer werd de steen opgehaald. “Als jij nu aan de andere kant van de boom gaat staan, dan hoeven we niet steeds de steen op te halen”, stelde mijn broer voor. Hij had kennelijk de verwachting dat het nog heel lang mis zou gaan.
Nog zie ik als in een vertraagde film de baksteen door de takken van de boom breken en met een ongelooflijke precisie naar mijn neus zeilen. BAM –AU –Boeoeoehoeoe – MAMA!!!!!.
Mijn eerste bloedneus en geen zakdoek bij de hand.

De geblinddoekte gek

Door Rozerood, 12 januari 2010

Mijn ouders hadden een vakantiehuisje in Schoorl gehuurd, op een soort camping. Ik was zeven jaar en er zijn nog heel scherpe herinneringen.
Zo stikte het er van de muggen en het beeld van mijn vader, al muggenmeppend heen en weer springend door de beperkte ruimte, de krabbende, zeurende kinderen, de kalmerende moeder, het staat me nog levendig voor ogen. Het regende nogal wat die weken en we deden veel binnenspelletjes.

Op een dag kwam er een telegram. Mijn moeder moest hals over kop weg, want haar vader was plotseling nogal ziek geworden. Mijn vader bleef achter met z’n drie dochters. Gelukkig knapte het weer op en hij trok er veel met ons op uit. Favoriet was het hoge duin, zoals wij dat noemden. Terwijl hij op het strand zat te lezen, klommen wij telkens omhoog om ons daarna van 54 meter hoogte naar beneden te laten rollen. Wat was dat zalig!

Mijn vader had ons ook ingeschreven voor een spelletjesdag op de camping. Daar weet ik niet veel meer van, maar één herinnering kan me nog weer de koude rillingen bezorgen. Ik weet nog precies hoe ik me toen voelde.
Een dwaas, een gek, een in het rond zwaaiende idioot, die totaal niet wist waar ze mee bezig was.

Achteraf moet het een soort spel geweest zijn, waarbij je geblinddoekt was en met een knots of een in elkaar gedraaide handdoek allemaal kegels om moest zwiepen.
Misschien was ik dom, maar ik wist totaal niet waar ik mee bezig was, maar wel dat ik me volkomen belachelijk stond te maken. Vreselijk!

Aan het eind van de dag werden de winnaars bekend gemaakt en de prijzen uitgedeeld. Tot mijn stomme verbazing had ik de derde prijs gewonnen met het kegelspel: een enorme Verkade reep! Dat chocolademerk en mijn vreselijke afgang zijn daarna voor altijd met elkaar verbonden geweest.
Ik hou van chocola, maar doe mij maar een ander merk.

De babypop

Door Rozerood, 23 december 2009

Vroeger vond ik december altijd de heerlijkste maand van het jaar. Sinterklaas, kerst, mijn verjaardag en oudjaarsdag, in die volgorde. De gezelligheid kon niet op!

Dat jaar had ik maar één wens voor mijn verjaardag: een echte babypop. Ik had het idee dat die wens wel eens in vervulling zou kunnen gaan. Mijn moeder deed erg geheimzinnig en ik werd steeds uit een bepaalde kamer gehouden.

De bewuste dag was ik natuurlijk heel vroeg wakker. Ik kroop bij mijn ouders in bed en het wachten was op de grote zussen. Dat duurde veel te lang, dus ging ik ze uiteindelijk zelf maar wekken.
Met elkaar op het grote bed, wat een feest! Ik werd van alle kanten geknuffeld en gefeliciteerd en toen was het tijd voor de cadeautje’s.

Eerst het hoofdcadeau van mijn ouders. Een groot pakket in de vorm van een …..pop!
Ik zie mezelf nog het papier losmaken totdat het wonder tevoorschijn kwam.

Nog hoop ik dat ik mijn teleurstelling niet heb laten zien, maar ik vrees het ergste.
Op zich was het een prachtige grote pop met een schitterend, door mijn moeder gebreid, skipak aan.
Alleen, het was geen babypop.

Het hoofd was relatief groot, het had de trekken van een volwassene en het haar van de pop was een echt kapsel. Kunstige krullen, een soort permanent eigenlijk.
Waarschijnlijk had ik mijn moeder niet duidelijk gemaakt dat ik zo graag een babypop wou hebben. Waarschijnlijk heb ik gevraagd om een echte pop. En dat was het.
Ik kreeg daarbij een complete garderobe voor de pop, allemaal door mijn moeder gemaakt.
Ik hoop zo dat ik blijdschap en verrassing heb uitgestraald!

De pop werd Noortje genoemd en uiteindelijk kon ik me redelijk met haar verzoenen.
Later, toen mijn moeder overleden was, keek ik er zelfs met vertedering naar.
Noortje heeft mij mijn hele leven vergezeld, van het ene huis naar het andere, van mijn kamer in Utrecht tot het huis in Rotterdam, waar ik destijds samen met mijn nieuwbakken echtgenoot ging wonen.
Daarna is ze nog twee keer meeverhuisd, tot het huis waar ik nu woon.
Noortje kreeg haar onderkomen in de schuur.

Een paar jaar geleden, wij waren op vakantie in Frankrijk, kwam er een alarmerend telefoontje van de buurvrouw. Of we maar direct naar huis wilden komen. Onze schuur stond in brand!

Op zich is dat gelukkig allemaal goed afgelopen, maar helaas niet voor Noortje.
Er was zo weinig van haar over!
De foto toont het geraamte van de schuur en als je goed kijkt, zie je haar zitten, rechts onder op de grond.
Deze foto is alles wat mij nog rest van Noortje.

Panorama Theme by Themocracy